Rechters werpen hobbels op in asielbeleid

Twee hoge gerechtelijke instanties hebben met recente uitspraken problemen veroorzaakt voor het asielbeleid van staatssecretaris Cohen.

Tweemaal is er de afgelopen maand een juridisch bommetje gelegd onder het Nederlandse asielbeleid. Het Europees Hof voor de rechten van de mens in Straatsburg besliste dat de EU-landen zich in het kader van de zogeheten Dublin-overeenkomst niet achter elkaar kunnen verschuilen. In eigen land noemde de Rechtseenheidskamer de manier waarop Nederland omspringt met het beginsel van een ,,veilig land van eerste opvang'' onzorgvuldig.

Beide beslissingen zijn lastig voor staatssecretaris Cohen (Justitie). Deze heeft toch al de nodige strubbelingen, vooral met coalitiepartner VVD, om zijn nieuwe Vreemdelingenwet door de Tweede Kamer te loodsen. Een belangrijke doelstelling van deze wet is de asielprocedures te stroomlijnen om zo de toevloed van asielzoekers in te dammen. De boodschap van het Europese hof en de Nederlandse Rechtseenheidskamer is dat stroomlijning haar grenzen heeft.

Beide uitspraken behelzen een waarschuwing, maar het is de vraag of ze hoeven te leiden tot meer dan praktische aanpassingen. Eerst Dublin. De landen van de EU hebben afgesproken dat een asielzoeker in hun gebied slechts één kans krijgt. Als een lidstaat een asielverzoek heeft afgewezen kan een andere lidstaat waar de betrokkene zich vervoegt in beginsel volstaan met daarnaar te verwijzen. In het geval van een Tamil uit Sri Lanka die in Duitsland was afgewezen verklaarde het Europese hof echter dat Groot-Brittannië niet automatisch kon afgaan op het Dublin-arrangement.

De bom waarvan in dit geval sprake is betreft het beginsel dat ten grondslag ligt aan het Dublin-akkoord, het zogeheten ,,interstatelijke vertrouwensbeginsel''. Dit betekent dat staten elkaar het voordeel van de twijfel geven, zeker wanneer zij zoals de leden van de EU zijn gebonden aan het Europees Verdrag voor de rechten van de mens. Dit verdrag bevat weliswaar geen recht op asiel maar wel een verbod mensen terug te sturen als hun thuis een onmenselijke behandeling staat te wachten.

In het geval van de Srilankaan verklaarde het Europese hof dat dit gevaar bij deportatie vanuit Engeland via Duitsland naar zijn thuisland niet denkbeeldig was. Toch verklaarde het de klacht niet ontvankelijk. Ook als de Sri-Lankees na afwijzing door Groot-Brittannië door Duitsland wordt uitgewezen naar zijn eigen land heeft hij namelijk nog een aparte mogelijkheid van beroep op de rechter tegen deze nieuwe beslissing. Daarmee is de cirkel van Dublin toch weer rond. Zolang het eerste Dublin-land maar de mogelijkheid van beroep tegen uitzetting biedt, is de kou voor andere Dublin-landen praktisch gezien uit de lucht.

In het geval van de Sri-Lankees was er bovendien sprake van een eigengereide opvatting van Duitsland over de uitleg van het Vluchtelingenverdrag. De plicht tot extra oplettendheid van andere Dublin-landen lijkt dan ook beperkt te blijven tot duidelijke afwijkingen van de algemene normen. De diepere juridische betekenis van de Straatsburgse uitspraak zou wellicht veeleer in een andere richting kunnen liggen dan het asielrecht. De EU is bezig aan een eigen Handvest voor de rechten van de mens. Het gevaar is niet denkbeeldig dat dit divergeert met het primaat van Straatsburg. De uitspraak over de Sri-Lankees past bij een aantal eerdere schoten voor de boeg door het Hof van Straatsburg dat het laatste woord heeft over dergelijke kwesties.

Lastiger voor Cohen is de kritiek van de Rechtseenheidskamer op de manier waarop Nederland omspringt met het land van eerste opvang – overigens óók een EU-beginsel. Daarbij geldt de vuistregel dat iemand die langer dan twee weken na zijn vlucht in een ander land heeft verbleven ons land niet in komt. De Rechtseenheidskamer vindt dat een te botte stelregel. Het kan zijn dat iemand die binnen twee weken doorreist toch elders een behoorlijk onderkomen kan vinden. Aan de andere kant – en daar gaat het natuurlijk vooral om – is niet gezegd dat iemand zonder problemen weer terug kan naar het `doorreisland'.

De uitspraken van de Rechtseenheidskamer hadden betrekking op Afghanen die via Pakistan hier waren gekomen, maar de strekking gaat veel verder. Veel asielzoekers komen hier via een tussenstop buiten Europa. Het grote knelpunt is dat er geen volkenrechtelijke verplichting voor de landen van de tussenstop bestaat om asielzoekers na afwijzing van een ander land weer terug te nemen.

Dat vergroot de druk op het systeem van de voorwaardelijke vergunning voor tijdelijk verblijf (VVTV) dat in ons land toch al politiek onder vuur ligt. Deze tijdelijke vergunning wordt als een soort time out aan niet direct te weigeren asielzoekers verstrekt voor een termijn van drie jaar. Daarna kan alsnog worden besloten tot terugzending, maar dat is dan natuurlijk wel een stuk moeilijker. Vanuit de Tweede Kamer is bij herhaling aangedrongen op een termijn van vijf jaar.

De nieuwe Vreemdelingenwet van Cohen omzeilt het probleem. Hij kent maar één tijdelijke vergunning van drie jaar met daarna een integrale beoordeling. Met name de VVD vindt dat ook de nieuwe vergunning op vijf jaar moet worden gesteld, maar Cohen houdt dat tegen. De uitspraak van de Rechtseenheidskamer is koren op de molen van de politieke bezwaren, maar kan tegelijk worden uitgelegd als een argument om de lastige keuze van toelating uit te stellen.

Er is in afwachting van de nieuwe wet in elk geval een praktische optie: aanvulling van de strakke twee-wekentermijn voor een veilig land met een aantal concrete details (of het ontbreken daarvan) uit het individuele vluchtverhaal.

Het staat nog maar te bezien of een dergelijke praktische aanpassing niet bestand is tegen de kritiek van de Rechtseenheidskamer. Al zal zij de druk op de toch al zwaar belaste Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) wel vergroten.

    • F. Kuitenbrouwer