Een en al oog

Alleen in een stille zaal van het Drents Museum schoot ik in de lach over een kip. Een schetsje van een kip, een van de vele tekeningen van kippen en hanen, eenden en akeleien, vlinders en apen die Theo van Hoytema honderd jaar geleden maakte. Sommige stemden mij uitgesproken vrolijk. Andere werken ontroerden mij, zonder dat ik precies had kunnen zeggen hoe dat kwam. Een vierkante aquarel met bladeren van sierkalebassen, een pauw op een stok. Bijna niets, maar geweldig.

Waarom? Voor de geroutineerde tekenaars van de Disney-studio's is een grappige kip een fluitje van een cent. Toch wekt zo'n cartoon hooguit mijn bewondering om zijn effectiviteit, hij roert mij niet. Van Hoytema was een kunstenaar van een ernstiger soort, iemand die kleine hoekjes van de wereld met zijn ogen veroverde en daarvan al tekenend verslag deed. Aan veel meer dan dieren en planten, een enkel landschapje, waagde hij zich niet. Was het hoge kunst, illustratief werk? Allebei; hij deed gewoon wat hij kon, en dat kon hij ontzettend goed.

Achterin de catalogus bij de tentoonstelling (die ook al in Den Haag is geweest, als u hem nog wilt zien moet u vóór 5 juni naar Assen) staat een tekst van een mevrouw die als klein meisje les heeft gehad van Van Hoytema. Zij vertelt hoe haar vader, jonkheer Van Eysinga, hem in 1891 vroeg zijn drie kinderen tekenles te geven, elke zaterdag van twee tot vier. Het was altijd een gezellige boel met het onooglijke, lieve meneertje in de `leerkamer' van het grote huis. Soms werd er nauwelijks getekend, zo veel was er te praten, en soms lukte het werk niet erg – maar dan legde Van Hoy weer uit hoe belangrijk het was om te blijven proberen ,,het wezenlijke weer te geven, hoe de planten wortelen, dat de mensch op beide voeten staat, dat de wilg treurt, dat andere hare takken hemelwaarts strekken, dat de hooibergen in den wind eruitzien als menschenhoofden met de haarscheiding''. Al het andere was maar bijzaak, zei hij.

Zo'n zin, zo'n poging om uit te drukken dat je heel goed naar de dingen moet kijken, zegt iets over de manier waarop Van Hoytema tekende en keek. Het woord bezieling dringt zich op. Dat is wel een cliché, maar zo gaat het met woorden die iets essentieels zeggen over de kunst. Een kip te bezielen met iets, zodat je erom moet lachen; een hooiberg te zien als een mensenhoofd met haar. En nee, dit gaat niet over visuele grapjes, het gaat om het kijken. Kijken is een genade, zoals de dichteres Eva Gerlach het onlangs in een interview plechtig uitdrukte. Zij sprak van ,,een liefde voor dingen, een soort verliefde geamuseerdheid over de vorm van de wereld''. Bij haar leidt dat toevallig niet tot tekeningen, maar tot poëzie: maar het is hetzelfde soort kijken als van Van Hoytema.

Als je op die manier kijkt, krijgen de dingen betekenis, een eigen karakter. Het is vervelend dat ik hier nu nog een naam bij moet halen, drie is eigenlijk te veel voor één stukje, maar dit alles deed mij denken aan Nabokov, bij wie het toekennen van betekenis, het toeschrijven van bedoelingen aan argeloze voorwerpen een steeds terugkerende, altijd effectieve stijlfiguur is. Bij hem is alles bezield. De locomotief die, in een passage over een treinreisje, zich snel werkend met zijn ellebogen door een dennenbos haast, en daarna opgelucht de landerijen bereikt. Nabokov doet dat wat Gerlach een biologische neiging van de mens noemt: alles met alles in verband brengen. Hij is de grootste.

Maar wij hadden het over Van Hoytema, de man die vanaf 1901 jaarlijks, steeds zieker, zijn geliefde kalenders tekende tot hij in 1917 overleed. Waarschijnlijk aan de sief. De postuum gepubliceerde Van Hoytema-kalender voor 1918 is in zwart-wit. Het zijn nog maar schetsen. Op het septemberblad staat een aangeschoten vogel, een eend of snip, er vliegt een stuk uit zijn veren, je voelt paniek en wanhoop. Tragische vogels, noemde Van Hoytema's vriend Veldheer die van 1918. ,,Hunne oogen staan wijd geopend. Het is of het een en al oog zijn der laatste bladen, de geest symboliseert, die langzaam in de eeuwige oneindigheid begint te staren.''