Duitsland moet voor Nederland het ijkpunt zijn

Praten over het `Europa van netwerken' kan versluierend werken. Duitsland is de centrale schakel in Europa, dát gegeven moet het uitgangspunt zijn voor het Nederlandse beleid, vindt Ton Nijhuis.

De Europese Unie staat voor een opeenstapeling van vraagstukken die ieder op zich al moeilijk genoeg op te lossen zijn, maar in hun onderlinge samenhang nauwelijks zijn te ontrafelen. Een van de grootste kwesties is die van de uitbreiding in oostelijke richting. Vrijwel iedereen is overtuigd van de politieke noodzaak de landen van Midden- en Oost-Europa te integreren in het Europese bouwwerk, maar over de praktische onmogelijkheid ervan bestaat niet minder consensus. De overtuiging dat met het oog op het steeds groter aantal lidstaten institutionele hervormingen noodzakelijk zijn, wordt ook algemeen gedeeld. Tegelijkertijd is vrijwel iedereen van mening dat een omvattende hervorming vooralsnog niet gerealiseerd kan worden, omdat de afzonderlijke lidstaten zich verzetten tegen verlies van posten en invloed. Patentoplossingen zijn er niet. Staatsecretaris Benschop van Buitenlandse Zaken ziet grote kansen in de nieuwe meer netwerkachtige beslissingsstructuren die zich in Europa ontwikkelen, omdat hierin niet de grootte van het land, maar de kwaliteit van het argument de uiteindelijk doorslaggevende factor is (Opiniepagina, 12 april) – alsof er geen belangentegenstellingen tussen de verschillende landen bestaan en er één beste oplossing is die voor iedereen geldt. Benschop wijst er terecht op dat het naar elkaar toegroeien van de lidstaten niet alleen door middel van richtlijnen tot stand kan worden gebracht, maar ook het gevolg is van het wederzijds observeren en van elkaar leren, zeker waar het de herstructurering van de verzorgingsstaat en de modernisering van de economie betreft. Echter, voor high politics, zoals de uitbreiding, blijven verschillen in belangen en prioriteiten een doorslaggevende rol spelen.

Het spreken over het Europa van netwerken, versluiert als niet wordt aangegeven wat de basiselementen van die netwerken zijn en wanneer geen onderscheid wordt gemaakt tussen de verschillende typen vraagstukken die om besluitvorming vragen. Bovendien, ook in netwerken dient een land zich te positioneren en de aandacht strategisch te verdelen. Voor de grote, politiek- en legitimiteitsgevoelige vraagstukken blijven primair de nationale regeringen verantwoordelijk. Wanneer we de vraag stellen hoe Nederland zijn stem het best kan laten gelden, dan zal dit gegeven de leidraad moeten vormen. Omdat het grote aantal lidstaten niet toelaat om met ieder land een even intensief contact te onderhouden, is het van belang te investeren in speciale relaties met een beperkt aantal landen.

De posities van de verschillende landen en hun onderlinge verhoudingen zijn na de val van de Muur sterk veranderd. De belangrijkste veranderingen hebben zich natuurlijk ten aanzien van de Bondsrepubliek voorgedaan. De Duitse eenwording heeft, dankzij Kohl, in eerste instantie een belangrijke impuls voor de Europese integratie gevormd. Kohl was ervan overtuigd dat het nieuwe Duitsland de mogelijke reserves bij zijn buurlanden kon en moest wegnemen door een strikt Europese koers te varen en de landen in Midden- en Oost-Europa uitzicht op toetreding te geven. Voor hem vormden Europa en de Frans-Duitse as het antwoord op de Deutsche Frage. Door dit Europese engagement en dankzij de goede samenwerking met Mitterrand kon Kohl uitgroeien tot de integratiefiguur die de EU ondanks alle centrifugale krachten bij elkaar hield.

Voor Schröder liggen de verhoudingen anders. Hij beziet Europa veel minder in het perspectief van het oplossen van de Deutsche Frage, waardoor ook een belangrijk motief achter de speciale relatie met Frankrijk wegvalt. Hij heeft een primair binnenlandspolitiek programma en voelt zich in zijn buitenlandse politiek minder geremd door het verleden, wat zich onder meer vertaalt in een vrijmoedig beroep op `nationale belangen'.

De combinatie van de problemen om in het eigen land de noodzakelijke hervormingen door te voeren, het feit dat de meeste landen, zeker ook die van Midden- en Oost-Europa primair in Berlijn aankloppen en het haperen van de Frans-Duitse as, leiden ertoe dat de Bondsrepubliek zich overvraagd voelt. Duitsland wordt een initiërende en leidende rol in de EU opgedrongen die het eigenlijk liever niet zou hebben, waarbij bovendien de handelingsvrijheid van de Bondsregering ernstig wordt beknot door de Länder (deelstaten). Tegelijkertijd werd het Schröder en Fischer al snel duidelijk dat zonder Duitsland helemaal niets loopt in Europa.

Het gegeven dat Duitsland, hoe je het ook wendt of keert, de centrale schakel van Europa vormt, zou uitgangspunt voor Nederlands beleid dienen te zijn. Zeker nu de Frans-Duitse as zijn exclusiviteit en vanzelfsprekendheid heeft verloren en Londen toch niet altijd even Europees gezind blijkt en bovendien nog niet deelneemt aan de Euro, kan Nederland een partner voor de Bondsrepubliek vormen om initiatieven te ontplooien. In Berlijn bestaat de neiging om primair naar de andere grote lidstaten te kijken, maar gegeven de huidige verhoudingen en het goede imago dat ons land in Duitsland heeft, zijn er zeker kansen voor Nederland het initiatief meer naar zich toe te trekken. Dit kan natuurlijk alleen als Nederland ook bereid is boter bij de vis te doen en zich niet beperkt tot het afleggen van mooie verklaringen.

Het uitgangspunt dat voor elk Europees initiatief Duitslands betrokkenheid onontbeerlijk is, sluit andere bilaterale initiatieven niet uit. Maar ook voor deze geldt dat wanneer ze succes willen hebben, ze uiteindelijk ook door Berlijn gedragen moeten worden. Tot op zekere hoogte kan dit gelezen worden als een ondersteuning van het pleidooi voor een kern-Europa van Giscard d'Estaing en Schmidt (Opiniepagina, 20 april), met dien verstande dat hier uitdrukkelijk niet wordt gepleit voor een institutionele afscherming van de avant-garde-landen, zoals ook Pijpers heeft betoogd (Opiniepagina, 9 mei). Het gaat om het aanzwengelen van initiatieven tot verdergaande integratie die voor alle landen openstaan. Eerdere initiatieven, zoals `Schengen' en de euro, tonen aan dat eigenlijk de meeste landen wel tot de kopgroep willen behoren en bereid zijn daar veel in te investeren.

Prof.dr. T. Nijhuis is verbonden aan het Duitsland Instituut Amsterdam.

    • Ton Nijhuis