De Kruyf: klanken vormen zondvloed

Ton de Kruyf (1937), op het programma bij het Nederlands Kamerkoor, was altijd een buitenbeentje. Als 21-jarige onbekende componist uit Leerdam leverde hij in 1958 op het slotconcert van Gaudeamus zijn visitekaartje af met Cinq Impromptus – de sensatie! Pedagoog Matyas Seiber, die de ingezonden werken met de componisten analyseerde, hekelde het algemene niveau, maar prees De Kruyf (en Otto Ketting) als een voorbeeld van een componist met een degelijke contrapuntische harmonische en structurele scholing. Wist hij veel dat De Kruyf honderd procent autodidact was?

De Kruyf bleef een buitenbeentje vooral omdat hij zich al vroeg interesseerde voor vocale muziek en met name voor de opera. De toentijds geldende seriële techniek leek eerder als geknipt voor de instrumentale muziek. Zo ontwikkelde De Kruyf zich als een Nederlandse Henze, even streng structureel en grillig virtuoos met tegelijkertijd een nauwelijks verenigbare hang naar het bel canto. Typerend vond ik zijn oernederlandse opera Spinoza op het Holland Festival van 1971. Terwijl generatiegenoten als Ketting, Van Vlijmen, Schat en Andriessen nog steeds worden gespeeld - en allen uiteindelijk ook opera's gingen schrijven! - bleef het een tijd lang stil rond De Kruyf.

Daarom werd reikhalzend uitgezien naar zijn nieuwste koorcompositie Il Diluvio (De zondvloed), geïnspireerd door een lang gedicht en een elftal krijttekeningen van Leonardo da Vinci. Het hele programma dat Walter Nussbaum dirigeerde was ingenieus samengesteld en herinnerde aan de jaren '50 in de vermenging van renaissancemuziek (Gesualdo, Sweelinck en Schein) met modernen zoals, naast De Kruyf, René Leibowitz (1913-1972) en Willem Boogman (1955). Zó programmeerden destijds Boulez en Maderna: klassiek en romantiek zorgvuldig uitbannend. Toch is de sfeer van Leibowitz Two Settings uit 1966 romantisch en bij alle schier elektronische vervorming van de stemmen geurt Boogmans Die Rose uit 1996 eveneens romantisch hunkerend.

De Kruyfs Il Diluvio is veel meer een eenheid in stilistisch opzicht. Het laat twee menigten aan het woord die de verschrikkingen van de zondvloed hebben overleefd. Zij beschrijven zwermen van vogels die massaal op de lijken neerzinken in een verteltrant, die plots afbreekt om plaats te maken voor een opsomming: duisternis, wind, noodweer, zondvloed, brandende bossen en zo meer – de oertoestand van de schepping in steno.

Vaak begint De Kruyf recitativisch, maar botsen al snel zeeën van klanken tegen elkaar op doordrenkt van hemelse bliksemschichten in de hoge sopranen. De spiegelvormen herinneren aan het serialisme: ,,Oh tijd, snelle dief, die alles teloor doet gaan'' zou Da Vinci ongetwijfeld hebben opgemerkt. De spanning zakt nauwelijks in, het dubbelkoor blijft op één Dalapiccoliaans hoog niveau. De uitvoering in een vooral compacte klankpracht had zeker spanning, al miste ik tegenstellingen. Aan zo'n doorwrochte compositie kan ook niet lang genoeg worden gewerkt.

Concert: Nederlands Kamerkoor. Gehoord 11/5 Pieterskerk Utrecht. Radio 4 KRO 1/6 20 uur.

    • Ernst Vermeulen