De geur van India

Ooit bevestigde E.M. Forster de stelling dat `East is East and West is West, and never the twain shall meet' met een verhaal over een Indiase jongen die samen met twee blanken – een meisje en een oudere dame – een bergwandeling maakt. De oude vrouw zit aan de voet van de berg en de twee jongeren gaan de grotten bekijken. Plotseling rent het meisje de berg af en enige ogenblikken later wordt de Indiër gearresteerd wegens aanranding. De lezer komt niet te weten wat er precies in de grot is voorgevallen, wat tot een van de heftigste en langdurigste discussies heeft geleid in de wereldliteratuur.

Dit gegeven in A Passage To India van Forster is nu herverteld door de Indiase schrijver Pankaj Mishra, onder de titel The Romantics. De student Samar gaat met de Britse Miss West en de aantrekkelijke Française Catherine op reis. Er gebeurt iets in een berghut en we komen nu wel te weten wat: Samar en Catherine bedrijven de liefde. Maar van aanranding is geen sprake, of het moet omgekeerd worden uitgelegd: de ervaren Catherine ontmaagdt de bescheiden en nederige student. De jongen, die de verteller is van het boek, is er zo ondersteboven van dat hij het voorval niet onder woorden kan brengen. Voor iemand die zo treffend en beeldend over mensen, omgevingen en situaties kan vertellen is dat verrassend: ,,Het valt me zwaar het lichamelijke aspect te beschrijven. [...] Zelfs als ik het kon beschrijven zonder smakeloos te zijn, dan nog zou ik geen recht doen aan de herinnering die ik eraan heb en die alleen in grove lijnen overeenkomt met de fantasieën die ik als normale jongen had gehad over de genietingen van het onbekende.''

Wat een sufferd, dacht ik eerst. Heeft hij eindelijk de gelegenheid om een opwindende, erotische scène neer te zetten, laat hij de kans voorbijgaan. Maar toen ik aan Forsters boek dacht, werd het me iets duidelijker. Want bij Forster draait het om de rechtzaak van de Indiër, waarbij de aanklager beweert ,,dat de gekleurde rassen zich nu eenmaal fysiek voelen aangetrokken tot het blanke ras, maar niet vice versa''.

Het tegendeel is het geval, riepen de eerste gekleurde intellectuelen die A Passage to India in essays en polemieken ontrafelden – maar dat schiet niet op, natuurlijk. E.M. Forster illustreerde als een van de weinigen hoe de koloniale machthebbers over de gekoloniseerden dachten, waarbij hij een grote sympathie koesterde voor de gekoloniseerden.

Pankaj Mishra draait het om: Samar kijkt juist erg op naar de blanken die zich om uiteenlopende redenen in India hebben gevestigd. Hij bewondert hun levenskennis, hun eruditie en hun bereisdheid en hij voelt zich bijna vereerd als Catherine zich die avond voorover buigt en hem kust. En zij is natuurlijk degene die het initiatief neemt, we hebben te maken met een postkoloniale, moderne en geëmancipeerde vrouw die seks niet vunzig of zondig vindt.

Is daarmee de toevoeging `and never the twain shall meet' weerlegd? Nee, want zoals de Indiase jongen bij E.M. Forster ontgoocheld en verbitterd achterblijft, zo blijft ook Samar achter met een gevoel van eenzaamheid en verwarring. Catherine trekt verder en Samar gaat terug naar zijn dorp.

Ik vond het een prachtig boek. Pankaj Mishra heeft E.M. Forster meesterlijk ontleed, in de ingehouden stijl en de aandachtige toon van V.S. Naipaul, zodat twee van mijn lievelingsschrijvers in één persoon zijn samengekomen. De recensies in het Westen van The Romantics deelden mijn gedachte: het boek werd laaiend enthousiast ontvangen. `Een verbluffend mooie roman', schreef NRC Handelsblad zelfs.

Maar in India werd het boek van Mishra met de grond gelijk gemaakt. Een van de belangrijkste recensenten in Delhi, Rukmini Bhaya Nair, schreef zo'n vernietigend stuk in het literaire tijdschrift Biblio, dat je je afvraagt hoe Pankaj Mishra zich in Indiase intellectuele kringen nog kan vertonen.

Bhaya Nair begint haar kritiek met de houding van de verteller: die is zo nederig en onderdanig dat de stereotype van de gehurkte Indiër weer eens flink bekrachtigd wordt. En de stijl is zo saai en uitgesponnen dat je er in slaap bij valt. Het is geen literatuur meer, maar literaire journalistiek. Zo beschrijft Mishra uitvoerig de bereiding van `dhal', de linzen die over de dampende rijst worden gegoten: de geur van komijn en koriander ,,zou ik altijd blijven associëren met die rusteloze dagen''.

Dat kan domweg niet, zegt Bhaya Nair. Die typische lucht van gebrande jeera, zoals komijn er wordt genoemd, kom je overal in India tegen, van 's morgens vroeg tot 's avonds laat en vanaf je geboorte tot je dood. Zo ruikt het Indiase leven; hoe kun je de herinnering eraan dan plotseling beperken tot enkele `rusteloze dagen'?

Ik moet toegeven dat Bhaya Nair gelijk heeft. Ik ben zelf niet in India opgegroeid, maar ook ik ken die geur als kenmerkend voor je Indiër-zijn. De recensente trekt uit deze misstap echter wel een dodelijke conclusie: het boek is niet voor `ons' geschreven. `Wij', het miljard Indiërs in India en ver daar buiten, worden juist buitengesloten. We worden niet erkend als lezers, sterker nog: we worden schaamteloos geëxotiseerd ten behoeve van de blanke lezers in Europa en Amerika.

Ik heb na lezing van Bhaya Nairs recensie het boek van Pankaj Mishra opnieuw doorgebladerd en vond weer dat ze gelijk had. Op elke bladzij kom je Indiase alledaagsheden tegen die voor de lezer worden uitgelegd. `De' lezer, zeg ik, maar het is een niet-Indiase lezer.

En in één adem zegt Bhaya Nair dat Pankaj Mishra dat heeft gedaan voor het grote geld. Net als Arundhati Roy van De God van Kleine Dingen kreeg ook hij een voorschot van zijn Amerikaanse uitgever van een miljoen dollar: voor een zak met geld heeft hij zichzelf, en ons, verkocht.

Ik vind dat Rukmini Bhaya Nair te ver gaat. Waarom zou de Indiër Pankaj Mishra alleen of voornamelijk voor Indiërs moeten schrijven? Waarom zouden Indiërs de lezers moeten zijn die hij voor ogen had? Als er één ding is wat grenzen overschrijdt, is het de literatuur wel en Mishra heeft de Indiërs niet buitengesloten, maar zijn westerse lezers ingesloten. En daar, juist op dat totaal andere niveau, bewerkstelligt hij iets dat in de tijd van E.M. Forster onmogelijk was: hoezo, `Never the twain shall meet'?