Wat doen we met de keizer van Japan?

Ontzagwekkend beklemmend waren de beelden die het NOS-journaal toonde van de persconferentie die keizer Akihito en keizerin Michiko in hun paleis in Tokio gaven ter voorbereiding op het komende staatsbezoek aan Nederland. Sprekende poppen, schijnbaar ontdaan van emotie en persoonlijkheid. Het leek alsof de keizer in een trance verkeerde. Ik voelde medelijden in me opkomen. Wat is het eigenlijk ontluisterend als levende mensen tot symbool ontmenselijkt worden.

Het keizerlijke paar zat achter twee aparte tafeltjes op ruime afstand van de notulerende journalisten. Hans van der Lugt, correspondent in Tokio, bracht het gevoel van vervreemding dat mij bij het zien van de televisiebeelden had bevangen de volgende dag onder woorden. `Spreken hier nu mensen van vlees en bloed? (...) De ogen van beiden richten zich op mij. Ze blijken wel degelijk te kijken. Maar zien ze me ook? Is dit nu oogcontact of staren ze in een diepe, oneindige verte?' Hun monotoon en langzaam voorgedragen teksten leken, schrijft Van der Lugt, duizendmaal te zijn gerepeteerd.

In een bijgaande nieuwsanalyse legt de correspondent uit dat de formule waarmee de keizer zijn medeleven betuigt met de Nederlandsde oorlogsslachtoffers uit de jaren 1941-45 vrijwel letterlijk overeenkomt met uitspraken aan de vooravond van bezoeken aan Groot-Brittannië en Zuid-Korea. Rituele bezweringen zijn het: mijn hart doet pijn, ik voel diepe pijn in mijn hart, diep verdriet staat in mijn geheugen gegrift. Men moet deze woorden begrijpen als symbooltaal van een symboolmens.

Ieder staatshoofd is natuurlijk in zekere zin een symboolmens, dat wil zeggen een ontmenselijkt mens, een metafoor, een levend standbeeld, gemodelleerd naar de cultuur, traditie en misschien ook wel de smaak van een land. Dat kan op buitenstaanders raar overkomen. Op mij maakte bijvoorbeeld de inhuldiging van Poetin als nieuwe president van Rusland tijdens een Byzantijns-pompeuze plechtigheid een onweerstaanbaar komische indruk. Het was een ouderwetse lachfilm, waar alleen maar aan ontbrak dat de hoofdrolspeler struikelde over een plooi in de rode loper om met zijn neus in de feesttaart te donderen. Maar wie weet vonden de Russen het geweldig indrukwekkend.

Ik kan het niet helpen dat ik nooit m'n lachen kan houden als de paus weer eens met veel bombarie een symbolische deur laat openen of een beeld zoent. Dat wordt vandaag dolle pret in Fatima. Twee van drie herderskinderen die daar in 1917 de maagd Maria hebben gezien, worden er door hem zalig verklaard. Het derde herderskind moet nog even wachten. Zij is inmiddels in de negentig en zit al tientallen jaren als symboolmens opgeborgen in een klooster om haar af te schermen van nieuwsgierigen die haar het Derde Geheim van Fatima willen ontfutselen, een geheim dat atheïsten en sceptici allang geraden hebben. Het luidt: `Gefopt!'

Bij de beelden van het Japanse keizerlijke paar vond ik, in tegenstelling tot de shows van Poetin of de paus, niets te giechelen en te spotten. Eerder voelde ik, om met Akihito te spreken, een scheutje pijn in mijn hart. Op de lagere school, eind jaren vijftig, zongen we op de deun van jippie jippie jee:

En wat doen we met de keizer van Japan? Van Japan! (3 x)

We hakken 'm in mootjes als-ie komt. Als-ie komt! (3x)

Een weinig fijnzinnige tekst, maar het was, achteraf gezien, nog betrekkelijk kort na de oorlog en er bestond zelfs geen schijn van een kans dat de keizer van Japan deze kant uit zou komen. Dat gebeurde pas in 1971, bij welke gelegenheid nog heel wat mensen niets liever bleken te willen dan de keizer daadwerkelijk in mootjes hakken. Zijn limousine werd bekogeld, de Japanse vlag demonstratief verbrand, een betoger probeerde hem aan te vliegen, Wim Kan schreef een protestlied, het land stond op stelten.

Voor dit soort emotionele anti-Japanse reacties viel indertijd in zoverre begrip op te brengen dat de toenmalige keizer, Hirohito, nog dezelfde was als degeen in wiens naam oorlogsmisdrijven waren gepleegd. Mensen die gevangen hadden gezeten in de Japanse kampen in Indië legden er de nadruk op dat zij, behalve als gevolg van de ontberingen en mishandelingen, getraumatiseerd waren door de vernederende verplichting van de dagelijkse buiging voor Hirohito.

Het had weinig effect op de publieke opinie dat iemand als Rudy Kousbroek, zelf oud-kampgevangene, met kracht van argumenten betoogde dat Hirohito beslist geen oorlogsmisdadiger was geweest, maar alleen nominaal staatshoofd en in zekere zin de gijzelaar van de oorlogszuchtige Japanse legerleiding.

In zijn bundel Het Oostindisch Kampsyndroom komt Kousbroek uitvoerig op de kwestie terug. Zo riposteerde hij op de eis dat Hirohito, voorafgaand aan een ontmoeting met koningin Beatrix, de Japanse misdaden eerst openlijk moest erkennen en betreuren, dat de keizer dat al bij herhaling had gedaan, onder meer tijdens een persconferentie in 1971.

Wij zijn nu bijna dertig jaar verder en daar zit de zoon en opvolger, in de oorlogsjaren nog een kind, opnieuw te erkennen en te betreuren en te getuigen van de pijn in zijn hart. Het kan de mensen die voorgoed gewond zijn evenmin helpen als alle vorige betuigingen van berouw. Sommige wonden helen niet.

Het heeft waarachtig lang genoeg geduurd dat de Japans-Nederlandse betrekkingen belast zijn door de oorlog en vrijwel uitsluitend in het teken van het kampsyndroom staan. Hirohito is dood. Wim Kan is dood. Moet, afgezien van de vraag of de vroegere Japanse keizer een persoonlijke verantwoordelijkheid heeft gedragen en hoe zwaar deze dan gewogen heeft, iedere nieuwe generatie de last van het verleden blijven torsen? De betuigingen van spijt gaan zo alleen maar holler klinken, terwijl het geroep om erkenning van het leed potsierlijk dreigt te worden.

Wat doen we met de keizer van Japan? Hij krijgt hopelijk een normale, waardige ontvangst. Als Akihito alleen maar symbool mag zijn, deerniswekkend ingesnoerd door de grondwet en de tradities van zijn land, erken hem dan als symbool van een nieuw Japan dat zich aan het eigen oorlogsverleden heeft ontworsteld.