VN schiet te kort in Sierra Leone

De Verenigde Naties hebben gefaald in Sierra Leone. Westerse landen hebben te veel overgelaten aan Afrikaanse staten bij de vredesoperatie, vindt Jonathan Eyal.

Met de hulp van Britse militairen is de evacuatie van Europeanen en andere Westerlingen uit Sierra Leone voltooid. Maar de gevolgen van deze tragedie zullen zich nog jaren doen voelen. Opnieuw is een VN-vredesoperatie in duigen gevallen. En voor de derde keer binnen tien jaar is de hoop dat Afrikanen conflicten in hun eigen continent in de hand zouden weten te houden, de bodem ingeslagen.

De gedachte dat het aan de Afrikanen zelf is hun regionale crises op te lossen, werd uit nood geboren toen kort na elkaar en op grote onderlinge afstand crises uitbraken in Liberia, Burundi, Rwanda, Somalië, Ethiopië en Congo. Ondanks de grote verschillen, vertoonden de meeste van deze oorlogen ook overeenkomsten. Ze vormden een nevenproduct van historische geschillen die tijdens de Koude Oorlog waren onderdrukt maar die men, toen die mondiale ideologische confrontatie ten einde was, weer in alle rust kon uitvechten. Bovendien betrof het geschillen die niet op te lossen waren, tenzij met gruwelijke middelen als massamoorden, gedwongen volksverhuizingen en gebiedsverovering. En ten slotte waren het conflicten waarin geen westers land zich wilde mengen.

Een poos lang was er gegronde reden tot optimisme. Begrippen als democratie en markt-economische hervorming vonden gretig aftrek in Afrika en het apartheidsregime in Zuid-Afrika werd vreedzaam ontmanteld. Weliswaar leidde het einde van de Koude Oorlog tot nieuwe troebelen, maar het leek ook verwoede oorlogen in Mozambique en Angola te doen doodbloeden. Indien beter toegerust, en met de nodig hulp, zouden de Afrikanen, zo schatten westerse landen, zowel bereid als in staat zijn hun eigen problemen op te lossen. Frankrijk en Groot-Brittannië namen het initiatief tot het trainen van Afrikaanse militairen in het uitvoeren van vredesoperaties. Aan een eerste vredesmissie in Senegal, in 1998 door Frankrijk geëntameerd, deden 3.000 West-Afrikaanse militairen mee; aan een volgende exercitie in januari van dit jaar deden maar liefst zestien Midden-Afrikaanse en westerse landen mee. Het Verenigd Koninkrijk kwam met een soortgelijk militair hulpprogramma. De Britten hebben nu drie militaire hulp- en trainingsteams in Afrika, die de praktijk van vredesoperaties doceren aan militaire academies aldaar en specialistische trainingen voor Afrikaanse militaire eenheden verzorgen.

De gemeenschappelijke Britse en Franse belangen werden enkele jaren geleden onderkend: in 1996 werd door beide Europese landen een gezamenlijke Vredestaken-commissie opgericht. Washington, dat zijn vingers had gebrand in Somalië, verschaft sinds 1997 via zijn African Crisis Response Initiative ruimere middelen voor de opleiding van aparte eenheden in Afrika. Nog geen maand geleden zijn de leiders van alle Afrikaanse en Europese landen in Caïro bijeen geweest om zowel de hulp bij vredehandhaving als de economische hulp beter te coördineren. En hoewel de economische wederopbouw op de Balkan steeds meer aandacht opeist, gaat het merendeel van de begroting voor ontwikkelingshulp van de EU altijd naar Afrika. Al met al geeft de vredehandhaving in Afrika dus een beeld te zien van nauwe Europese samenwerking, veel goede wil en zelfs enig resultaat. Waarom ging het dan toch mis in Sierra Leone?

Het eerste antwoord op deze vraag is gelegen in Afrika zelf. Westerse regeringen hebben veel vertrouwen gesteld in de twee grote mogendheden van het continent, Nigeria en Zuid-Afrika. De Zuid-Afrikaanse regering legt echter weinig enthousiasme voor deelname aan vredesmissies aan de dag, mede omdat Pretoria beducht is voor verwijten dat het zijn macht zou misbruiken. De Nigerianen kenden deze schroom niet. Maar hun militaire betrokkenheid liep nogal eens in het honderd – alleen al in Sierra Leone kwamen meer dan duizend Nigeriaanse militairen om – en werd door buurlanden steeds met scheve ogen bezien. Ten slotte raakten sommige Afrikaanse landen, in plaats van regionale burgeroorlogen te sussen, zelf bij die oorlogen betrokken, getuige bij voorbeeld de militaire steun van Zimbabwe aan Congo. Het gevolg was dat de operatie in Sierra Leone werd overgelaten aan betrekkelijk kleine contingenten uit een te groot aantal landen, met ongelijksoortige commandostructuren, een tekort aan training en discipline, en nauwelijks enige kennis over wat een VN-operatie eigenlijk inhield. Bovendien bleek de missie veel en veel kostbaarder dan aanvankelijk was geraamd. Het besluit van Nigeria zijn troepen uit Sierra Leone terug te trekken was een van de oorzaken waardoor de gehele operatie mislukte; inmiddels stellen de Nigerianen hun terugkeer afhankelijk van de toekenning van gelden uit andere bronnen.

Ook de Verenigde Naties zelf en de westerse regeringen dragen een groot deel van de verantwoordelijkheid voor het debacle. Het had van meet af aan duidelijk moeten zijn dat het in Sierra Leone niet zou gaan om het bewaren van vrede (die bestond niet), maar om het afdwingen van vrede bij onwillige partijen. Niet minder dan 45.000 paramilitairen moesten worden ontwapend – een complexe operatie die evenveel tact als onverzettelijkheid vereiste. Men had dus een grote troepenmacht moeten sturen, zwaar bewapend en gereed voor zowel het gevecht als het bewaren van vrede.

De VN sjokte voort in zijn uitgesleten, doodlopende spoor: het stuurde aanvankelijk een klein korps waarnemers, dat werd gevolgd door enkele eenheden en pas de laatste tijd door een veel talrijker troepenmacht. En opnieuw klopten de in New York gemaakte berekeningen niet met de feiten ter plaatse: de VN zegde 11.000 militairen toe, maar heeft er op dit ogenblik slechts 8.000 te velde.

Het resultaat was het slechtst denkbare: een grote, maar slap georganiseerde operatie die voortdurend van strategie veranderde, maar niet in staat bleek de strijdende partijen het mes op de keel te zetten. De rebellen in Sierra Leone wisten dat ze ongestraft VN-militairen konden gijzelen: de meeste deelnemende landen waren klein en arm en niet bij machte tegen dergelijke tactieken op te treden. Dus hoe omvangrijker de internationale troepenmacht werd, hoe minder de VN kon ondernemen – een eigenaardig voorbeeld van verminderde meeropbrengst.

Naarmate de operatie in Sierra Leone verder in het slop raakte, keken de westerse regeringen werkeloos toe. De secretaris-generaal van de VN liet rapporten opstellen die telkens spraken van zorgwekkende toestanden, maar afgezien van een stel Britse militaire adviseurs die de afgelopen weken inderhaast naar de regio werden uitgezonden, kwamen de westerse regeringen pas in actie toen hun het leven van hun eigen burgers gevaar liep. Er werd, toen de Nigerianen aankondigden hun troepen terug te trekken, geen enkele serieuze poging gedaan om de toekomst van de operatie te evalueren of om de kosten van de missie te helpen bestrijden. En evenmin werd nagedacht over een versneld trainingsprogram voor de naar Sierra Leone uitgezonden troepen.

Echter, er is nog hoop. Groot-Brittannië, de voormalige koloniale macht, voelt niets voor betrokkenheid bij de operatie in Sierra Leone, vooral nu het met nog veel grotere problemen te maken krijgt in Zimbabwe. Niettemin heeft de Britse regering enige verantwoordelijkheid aanvaard. Britse militairen bezetten in Sierra Leone enkele strategische sleutelposities, waaronder het vliegveld. Bovendien zit geen enkele westerse regering te wachten op wéér een mislukte VN-operatie. De door de VN gelaste volledige ontwapening van de paramilitaire strijdgroepen zal wel een irreële doelstelling blijven. Maar het moet mogelijk zijn te zorgen dat de hoofdstad Freetown niet in handen van rebellen valt, en dat het rebellenoffensief tot staan wordt gebracht.

Geen van beide zijn als eindresultaat geheel bevredigend. Maar ze zouden wel het verschil kunnen uitmaken tussen een onbeholpen en een geheel mislukte VN-vredesmissie.

Op de langere duur moet lering worden getrokken uit Sierra Leone. In het huidige Afrika bestaat geen verschil tussen vrede handhaven en vrede afdwingen. Traditionele vredesoperaties zijn er tot mislukken gedoemd tenzij VN-troepen bereid èn in staat zijn te vechten. Het is goed wanneer Afrikaanse staten de orde in hun eigen werelddeel bewaren, maar men mag niet van hen verwachten dat ze dat geheel zonder hulp vanuit het Westen doen. Zelfs wanneer een zuiver Afrikaanse missie op touw wordt gezet, ontslaat dat het Westen niet van de plicht deze conflicten voortdurend nauwlettend in het oog te houden.

Jonathan Eyal is verbonden aan het Royal United Services Institute for Defence Studies in Londen.