Verheid op zee

Afgelopen woensdag was het precies 84 jaar geleden dat de James Caird veilig landde op de westkust van Zuid-Georgië, niet ver van de zuidpool. De James Caird was een kleine sloep waarin de Britse poolreiziger Shackleton met vijf anderen in twee weken van Olifantseiland, aan de uiterste noordpunt van het Antarctisch schiereiland, een afstand van 1300 kilometer had afgelegd over de wildste en koudste oceaan die de wereld kent.

Shackleton was met 27 lotgenoten en drie sloepen op Olifantseiland terecht gekomen nadat zijn expeditieschip de Endurance door het ijs was verpletterd. In die tijd, in april 1916, was Olifantseiland nog niet eerder door mensen bezocht en het stond wel vast dat ook hulpexepedities er niet zouden komen. Er moest snel hulp gehaald worden voordat de lokale winter inviel.

De scheepstimmerman versterkte de James Caird, de beste boot, en zette er een zeildoeken dak op. Op 24 april koos Shackleton opnieuw zee. De krachtige westenwinden in aanmerking genomen was er maar een bestemming die als einddoel in aanmerking kwam: Zuid-Georgië. Daar zaten Noorse walvisvaarders die de expeditie goed gezind waren. Het eiland zou in een dag of veertien kunnen worden bereikt, vooropgesteld dat de Caird er niet bij nacht of ontij aan voorbij voer. Dan zouden de zes in de boot en de 22 op het eiland reddeloos verloren zijn.

We beleven een Shackletonrevival. Het regent boeken waarin de beroemde open boat journey wordt beschreven. Maar zoals het onafwendbaar lot lijkt van al die expedities: de biografen houden zich vèr van technische details. Die zouden de lezer maar vervelen, schrijven ze in hun voorwaarden. Het is al human interest wat de klok slaat.

Ook in de laatste boeken gaat het dus weer vooral over het opmerkelijk leiderschap van Shackleton: de opstandigheid van de timmerman, de onverschrokkenheid van stuurman Crean en de prettige eigenschappen van kapitein Frank Worsley. Zijn zeer bijzondere navigatie-capaciteiten worden breed uitgemeten maar nooit uitgelegd. Vandaag voor de enkele liefhebber een klein onderzoek naar Worsley's werk.

In 1916 was er alleen de astronomische navigatie. Daarbij wordt met een sextant de hoogte boven de horizon bepaald van de zon (of de maan of een planeet) en tegelijk wordt precies het tijdstip van observatie vastgelegd. Voor dat laatste is er een chronometer die liefst tot op de seconde precies Greenwichtijd aanwijst. Het principe van de meting is eenvoudig: alle plaatsen op aarde van waaruit op een bepaald tijdstip een hemellichaam onder een hoek van, zeg, 30 graden worden gezien zijn verenigd op een grote cirkel die heel precies op een globe is te construeren. Zó groot is die cirkel dat hij op het specifieke stuk zeekaart van de zeeman een rechte lijn is: de `hoogtelijn'. Kompaspeilingen van hemellichamen waren te onnauwkeurig. Dus zijn er voor het bepalen van een geografische positie minstens twee observaties nodig. De gezochte posite is snijpunt van de twee hoogtelijnen.

Worsley beschikte over een goede sextant maar had van de 24 chronometers die in 1914 mee aan boord gingen maar één goede overgehouden. Hoeveel die inmiddels verkeerd wees, wist-ie niet. Een zonshoogtemeting vanaf Olifantseiland bracht weinig soelaas omdat de geografische lengte van het eiland niet goed bekend was. Hij hield het er maar op dat de chronometer inmiddels een minuut achterliep. Dat betekende een onzekerheid van een kwart graad: ongeveer dertig kilometer.

Het was niet het ergste. Voor de praktische uitvoering van de net genoemde astronomische berekeningen was het, zeker in die tijd, essentieel op voorhand al een behoorlijke indruk van de positie te hebben. Voor het bepalen van die zogenoemde `gispositie' moest voortdurend de richting en de snelheid van een schip wordt bijgehouden. Ook voor de James Caird noteerde Worsley conscientieus koers en `verheid'.

Hoe hij dat deed is een raadsel. De feitelijke koers van de boot was volstrekt onduidelijk omdat de roerganger geen zicht had op het enige, onverlichte kompas aan boord. Om de zoveel tijd vroeg de roerganger of-ie nog wel een beetje op koers lag. Daar komt nog bij dat Worsley niet wist hoe groot bij dwarse wind de drift was van de James Caird, dus hoeveel zij opzij werd gezet. Ook was het maar raden naar de sterkte van de zeestroming. En er was geen enkel middel aan boord om de snelheid van de Caird te meten. Kortom: de gispositie was een puinhoop.

Komt nu het mysterie Worsley. Twee dagen na het vertrek kan hij, als de lucht even openbreekt, heel even zonshoogte meten. Shackleton leest de chronometer af. Prompt noteert Worsley een heel secure positie – tot in boogminuten precies. Dat kan niet. Op 29 april presteert hij hetzelfde. Hij noteert een positie waarin hij zelf geen enkel vertrouwen kan hebben gehad. De reddding, zo lijkt, komt van de dagen 3 en 4 mei. Dan is de zee rustig en kan er meer malen per dag een zonshoogte worden gemeten. (De maan komt niet in aanmerking, op 2 mei was het nieuwe maan.) Daaruit valt inderdaad een positie te berekenen. De observatie van 7 mei is veel minder goed: de mistige horizon is vrijwel onbruikbaar. Toch arriveert de Caird een dag later midden voor Zuid-Georgië.

Wat is nu Worsley's bijzondere prestatie? Afgezien van het vermogen om een sextant goed af te lezen vanaf een sterk wiebelende boot is er die er helemaal niet. Worsely had een aardig gevoel voor de vaart van de boot en had veel geluk met de chronometer en – dankzij achterlijke wind – geringe drift. Meer was er niet. Het noodzakelijke rekenwerk verliep volgens een vastomschreven schema. Daarin was geen keuze.

Vanwaar dan toch die bijzondere roem? Die heeft hij aan Shackleton te danken. Shackleton had groot ontzag voor al dat rekenwerk. Zelf liep hij daarin regelmatig vast, zoals uit een ander expeditieverslag blijkt. Hij presteert het om alle soorten mijlen (statute, geographical en nautical mile) door elkaar te halen. Dat iemand, een Nieuw-Zeelander notabene, het zomaar in één keer goed deed, grensde voor Shackleton aan het ongelooflijke.

    • Karel Knip