Theo hoest

Een jonge zeehond in de crèche in Pieterburen blijkt besmet met het influenza B virus, dat eerder alleen bij mensen is aangetroffen. Het virus, dat behoort tot een stam die vijf jaar geleden griep veroorzaakte, is een mogelijke bron van een toekomstige griepepidemie.

Hoe dit virus in de zeehondenpopulatie terecht is gekomen, kan viroloog prof.dr. Albert Osterhaus, directeur van het Nationaal Influenza Centrum in Rotterdam, niet zeggen. Mogelijk is ergens op de Waddenzee een zeehond aangehoest door een verkouden wadloper, zeiler of visser. Dat moet dan in de winter van 1994-95 zijn geweest, want het in de zeehond gevonden virus is van een type dat toen menigeen met griep aan het bed kluisterde. Bovendien blijkt uit een screening van honderden bloedmonsters die sinds 1984 van zeehonden zijn genomen, dat pas na 1995 voor het eerst antilichamen tegen influenza B in de monsters voorkomen. De ontdekking en het onderzoek dat daarop onder Osterhaus' leiding is verricht, zijn deze week gepubliceerd in Science.

De besmette zeehond was acht maanden oud toen hij in het voorjaar van 1999 met ademhalingsproblemen strandde op Terschelling en naar Pieterburen werd gebracht. Daar kreeg hij een naam, Theo, en een uitgebreid medisch onderzoek, waarbij bloed werd geprikt en een uitstrijkje werd gemaakt van het keelslijmvlies. Dat gebeurt routinematig om te voorkomen dat een aantal voor zeehonden gevaarlijke virussen de crèche binnen zou komen.

Het virus werd gevonden in het uitstrijkje van het keelslijmvlies. Nadat met behulp van de polymerase kettingreactie zijn genetische identiteit was vastgesteld bleek dat het om het influenza B virus ging. Van de typen A en C is bekend dat ze behalve in mensen ook in allerlei vogels en zoogdieren kunnen voorkomen, maar influenza B was tot dan toe alleen bij de mens aangetroffen. Theo's virus werd volgens de daarvoor geldende regels B/Seal/Netherlands/1/99 gedoopt.

Uit vrees voor een griepepidemie onder de opgenomen zeehonden werden meteen de zeven soortgenoten die bij Theo in het bassin rondzwommen gecontroleerd. Bij geen van de dieren werd levend virus gevonden, maar het bloedplasma van één exemplaar bevatte wel antistoffen tegen één van de manteleiwitten van B/Seal/Netherlands/1/99. Dit resultaat was tamelijk geruststellend. Als het virus voor zeehonden net zo besmettelijk was geweest als voor de mens, dan had Theo zeker ook de andere zeehonden aangestoken. Nu was dat er hooguit één en misschien zelfs dat niet, want het was ook mogelijk dat de dieren in de vrije natuur besmet waren. Dat dit laatste het geval was werd aangetoond met behulp van antilichamen van het type immuunglobuline M (IgM) in het bloed van beide dieren. IgM-antilichamen ontstaan namelijk meteen na de besmetting en verdwijnen vervolgens langzaam als andere antilichamen in de strijd tegen het virus bijspringen. Bij beide dieren werden afnemende hoeveelheden IgM gevonden. Afgaande op de snelheid van de afname konden de onderzoekers vaststellen dat Theo enkele dagen voor zijn opname besmet moest zijn en zijn lotgenoot al enkele weken eerder. Van een besmetting in Pieterburen was dus geen sprake.

Intussen waren de onderzoekers ook op zoek gegaan naar een mogelijke verwantschap van het bij Theo gevonden virus en één van de vele menselijke variëteiten van influenza B. Die variëteiten verschillen in de samenstelling van de manteleiwitten aan de buitenkant van het virus. Doordat bij de mens vooral hiertegen antilichamen worden gemaakt, kan het virus alleen overleven door de samenstelling van zijn manteleiwitten voortdurend te veranderen. Nieuwe varianten kunnen niet meteen door het afweerapparaat worden aangepakt en krijgen de kans zich te verspreiden. Dit verklaart waarom er ieder jaar een andere soort griep heerst. Een analyse van delen van het DNA van het zeehondenvirus wees uit dat dit als twee druppels water lijkt op een virusstam die vijf jaar geleden rondwaarde. De eerste besmetting van een zeehond zou daarom in 1995 moeten hebben plaatsvinden. Het feit dat pas na 1995 voor het eerst antistoffen tegen deze variant in het bloed van zeehonden wordt gevonden, bevestigt dit vermoeden.

Klaarblijkelijk kan het virus zich in zeehond jarenlang zonder noemenswaardige aanpassingen handhaven. Dat duidt er volgens Osterhaus op dat het virus geen grote bedreiging voor de zeehond vormt, en omgekeerd. ``Daardoor verdwijnt ook de noodzaak om voortdurend de manteleiwitten te veranderen. Bovendien waren de besmette dieren vermoedelijk niet ziek van het virus, maar door de aanwezigheid van longwormen.''

Voor mensen kan het zeehondenvirus over een paar jaar wel een risico vormen, waarschuwt Osterhaus. ``Er zijn steeds meer dieren in de Waddenzee en die komen steeds vaker in contact met mensen. In principe kunnen mensen dan met het `oude' influenzavirus van de zeehond besmet worden. Nu levert dat nog geen problemen op, omdat veel mensen nog wat afweer over hebben van vijf jaar geleden. Die neemt echter af en over een jaar of vijf kan zo'n besmetting heel wel tot een nieuwe epidemie met een oud virus leiden.'' Hij raadt mensen die op het wad een zeehond vinden dan ook aan niet te dicht bij het dier te komen. ``De mensen van de opvangcentra die de dieren komen ophalen weten wat ze moeten doen om dit soort risico's te vermijden.''

    • Huup Dassen