TAAL LEREN DOOR TAAL DOEN

Ruim driehonderd scholen doen mee aan het Prismaproject voor kinderen die niet of nauwelijks Nederlands spreken. Zo ook de Amster damse basisschool de Catamaran. `De kinderen leren met hun hele lijf de Nederlandse taal.'

Vlak voor het schoolbord zitten twaalf kinderen tussen zes en twaalf jaar in een kring om een tafeltje. ``Wat hebben jullie gisteren gedaan? Gisteren nam de juf een kartonnen doos mee, is het niet?'' De kinderen knikken braaf. ``Ik heb vandaag ook een doos meegenomen, maar deze ziet er anders uit.'' Een witte schoenendoos komt tevoorschijn. Als juffrouw Jeanet Dijkstra vertelt dat er dingen in de doos zitten die de leerlingen mogen pakken, schuiven ze onrustig op de stoeltjes heen en weer. Allemaal willen ze een beurt. Een schaar, een perforator en een gum komen uit de schoenendoos. Als de leerlingen een voorwerp niet weten te benoemen, moeten ze het woord herhalen.

Op de Catamaran, een voor 99 procent zwarte basisschool in Amsterdam Westerpark, volgen kinderen die gebrekkig Nederlands spreken een aangepast lesprogramma. Een vereiste voor deelname aan de groep is dat de kinderen korter dan een jaar in Nederland wonen. Er is plaats voor 24 kinderen tussen zes en twaalf jaar. Er is nog ruimte, want er zitten nu dertien kinderen in de speciale lesgroep. De leerlingen worden door drie academisch geschoolde docenten begeleid. Andere basisscholen in het stadsdeel Westerpark sturen leerlingen die in aanmerking komen voor extra scholing door naar De Catamaran.

Deze lesmethode, de zogenoemde Prismamethode, leert kinderen stapsgewijs Nederlands. Brigitte van Veen, één van de docenten: ``De kinderen leren alles door te doen. Zo werken wij met een beeldwoordenboek, waarin kinderen zelf woorden kunnen opzoeken. Taal, lezen en rekenen behoren tot het dagelijkse lesprogramma. Na het doorlopen van de cursus kent een kind 1850 woorden. Een autochtoon kind van zes kent overigens al gauw 4000 woorden.''

rode bal

Bij de taalles met de kartonnen doos hoeft een kind niet stil te zitten. Van Veen: ``Ze leren als het ware met hun hele lijf de Nederlandse taal.'' Juf Jeanet pakt een rode bal, articuleert: ``Ik gooi de bal naar..'', en gooit de bal naar een blonde jongen. Giechelend gooien de kinderen om de beurt de bal. Jonathan, een jochie met een petje, blijft overtuigd herhalen: ``Ik gooijuh de bal.'' Tot vijf maal toe verbetert de juf hem. De bal verdwijnt van het toneel. Nu oefenen de kinderen met de woorden `open' en `dicht'. Een jongetje rent van de deur, naar de kast: naar een laatje. Hij doet de deur open en dicht en herhaalt tijdens zijn actie de bijbehorende woorden.

René Appel, bijzonder hoogleraar Verwerving en didactiek van het Nederlands als tweede taal, legt uit dat er grof gezegd twee manieren zijn om een taal te leren. Een taal kun je leren door het welbekende rijtjeswerk, waardoor je heel bewust met een taal bezig bent. Vooral ouderen leren zo. Jongere kinderen verwerven een taal via het natuurlijke proces. Door te luisteren en waar te nemen pikken ze veel op uit de omgeving en breiden zij hun woordenschat uit. ``Kinderen nemen patronen waar, die ze generaliseren, zoals de vervoeging van het woord lopen. Vaak zeggen kinderen eerst `hij liep'. Vervolgens herkennen ze onbewust een regel en zeggen ze `hij loopte'. Uiteindelijk begrijpen ze de uitzondering en doen ze het goed.''

Appel kan niet zeggen dat jonge kinderen per definitie sneller leren dan oudere kinderen. Vooral omdat taalverwerving afhankelijk is van veel individuele factoren, zoals intelligentie, taalaanleg en leefomgeving. Vaak zijn kinderen die goed zijn in de moedertaal dat ook in het Nederlands. Volwassenen raken wel moeilijker een accent kwijt, wat heeft te maken met klankverschillen. Appel verduidelijkt: ``Een mond gaat als het ware naar een taal staan. Hersenen geven impulsen naar de spieren, waardoor een automatisme ontstaat. Hoe ouder je bent, hoe meer het automatisme is vastgeroest.''

Een jaar lang volgen de kinderen les volgens het Prismaproject. De Catamaran is niet uniek, landelijk draait het project op ruim driehonderd scholen. Het project begon in 1989 op zes Rotterdamse basisscholen. Brigitte van Veen, die eerder al twee jaar in Amsterdam Zeeburg met Prisma werkte: ``Ik had wel eens kinderen in een gewone klas, die mij nauwelijks begrepen. Ik kon er weinig aan doen. Deze kinderen vragen veel individuele begeleiding en die kon ik niet geven. Door het een jaar lang veel aandacht te geven, kan je misschien uit een kind halen wat er echt in zit.''

Kinderen die langer dan een jaar in Nederland wonen, maar de Nederlandse taal niet voldoende beheersen, kunnen niet in de speciale klas terecht. Brigitte van Veen vindt dat jammer. ``Het lijkt me een goed idee om kinderen te testen voordat ze naar groep drie gaan. Als het taalniveau laag is, zouden zij ook Prisma moeten volgen.'' Volgens Joss Broere van Centrum Educatieve Dienstverlening in Rotterdam dat het project ontwikkelde, is dat niet de bedoeling. ``Kinderen die langere tijd in Nederland wonen, hebben al wat van de taal opgestoken. Dit project is specifiek gericht op kinderen die nauwelijks Nederlands spreken. Kinderen die langer in Nederland wonen, maar de taal slecht beheersen moeten extra begeleiding krijgen, Prisma is dan niet geschikt.''

Vandaag heeft de speciale klas een aangepast lesprogramma, want één van de drie groepsdocenten is ziek. Normaal gesproken krijgen zij in een groep van zes mondeling Nederlands, zodat een kind veel individuele aandacht krijgt. Vandaag krijgt de hele groep mondeling. De klas kent uiteenlopende nationaliteiten: Italiaans, Turks, Algerijns, Iers. Sommige kinderen zijn asielzoekers, anderen kwamen naar Nederland wegens gezinshereniging en weer anderen omdat papa een baan in Nederland kreeg. Na de mondelinge les krijgen de kinderen vier taken. Er wordt geoefend op de computer, woorden moeten van het bord worden overgeschreven, er wordt gekleurd en kinderen oefenen luistervaardigheid met de cassetterecorder.

Rachel, een Iers meisje van zes, laat trots zien wat ze aan het doen is. Haar donkerbruine ogen glanzen als ze vertelt dat ze de schrijflessen het leukst vindt. IJverig schrijft ze de woorden die op het bord staan in haar schriftje. Toch verzoekt ze om de vragen in het Engels te stellen, want zo lang is ze nu ook nog niet in Nederland. Hoelang? ``I dont know, but I live close to school.'' De Algerijnse Abderahim kleurt een plaat in. Boven de tekening staan de kleuren afgebeeld met daarnaast het woord. Ook hij snapt de vragen niet en hij kijkt verlegen naar zijn kleurpotloden. De kinderen hebben pas zes weken Nederlandse les achter de rug.

docententekort

Prisma neemt de taalachterstand niet weg, want na het jaar projectonderwijs moeten kinderen nog steeds extra begeleiding krijgen. Brigitte van Veen: ``De kinderen hebben hoe dan ook een kleinere woordenschat dan een kind dat vanaf zijn eerste Nederlands spreekt. Wij schrijven wel een advies voor de nieuwe klassenleraren. Maar of dat advies wordt opgepakt en het kind daadwerkelijk meer begeleiding krijgt, is de vraag. Er is een tekort aan docenten en intensievere begeleiding kost tijd.''

Ook René Appel wijst op dit probleem. Hij vindt dat ``kinderen na een jaar Prisma nauwelijks kunnen doorstromen naar regulier onderwijs''. Volgens hem is het te vroeg, vooral als ze geen speciale aandacht krijgen. Misschien is het beter dat kinderen pas na twee jaar doorstromen naar een normale klas. Tijdens het lees- en schrijfonderwijs doen kinderen vaak dingen die ze helemaal niet begrijpen. Appel zag in de praktijk tijdens schrijfles een allochtoon meisje steeds het woord balk opschrijven. Hij vroeg haar of ze wist wat het woord betekende. ``Natuurlijk niet'', antwoordde het meisje bijna verontwaardigd over zo'n domme vraag. Appel: ``Zij accepteerde allang dat ze dingen deed, waarvan ze de betekenis niet kende. Op zwarte scholen is het de bedoeling het onderwijs taalintensief te maken en kinderen veel met elkaar te laten spelen en te communiceren. Maar ja, men leert niet veel van Fatima, want die spreekt thuis ook bijna geen Nederlands'' De school moet meer input geven, aldus de hoogleraar. ``Zij moet kijken naar wat kinderen leuk vinden, zoals verhalen voorlezen. Vooral met behulp van prentenboeken leer je de kinderen wat'', benadrukt Appel. ``Maar wat tref ik aan'', roept hij uit. ``Zó'n stapeltje prentenboeken'' – en hij duidt met duim en wijsvinger een dun stapeltje aan. ``Zolang dat nog zo is, is het geen wonder dat het taalniveau laag blijft.''

In het gezellig rommelige klaslokaal van de Prismagroep staat wel een lange rij prentenboeken. Aan de hand van deze boeken vertelde de juf vanochtend een verhaal over een poes, een muur en een doos. Een herhaling van de woorden die de kinderen leerden. In een kring voor het bord knabbelen de kinderen aan hun boterhammen. Een korte pauze om de nieuwe woorden te laten bezinken.

    • Laura Soer