Passend gewas

In Afrika gaan de voedselopbrengsten al jaren achteruit door bodemuitputting. Experimenten door kleine boeren en boerinnen zelf moeten daar verandering in brengen. `Elke boer probeert uit wat bij hem past.'

De roodkleurige aarde tussen de bleke maïssprieten in het Keniase dorpje Ebusiloli ziet er dor en droog uit. Zandpaden lopen naar kleine huizen en veldjes maïs, bonen en sorghum. Een jonge boerin met verbleekte rok wijst ons op vier proefveldjes bonen, elk van zo'n vier bij vier meter. Met zachte stem vertelt ze hoe ze het experiment heeft opgezet. Op het eerste veldje heeft ze rond de jonge bonenplanten in stukjes gehakte thitonia gestrooid, een stikstof- en fosfaatrijke struik die overal in het dorp groeit. Op het tweede veldje heeft ze de planten bewerkt met drie kilo kunstmest, een derde veldje heeft ze behandeld met gehakte thitoniastruik en ander halve kilo kunstmest, en een vierde veldje met anderhalve kilo koeienmest en anderhalve kilo kunstmest. ``Aanvankelijk leken de bonen met alleen kunstmest het best te groeien', vertelt ze. ``Maar later bleek toch de combinatie thitoniastruik met kunstmest beter.'

In Ebusiloli liggen tientallen proefveldjes. Niet bedacht en beheerd door landbouwkundig instituten, maar door boeren en boerinnen. Ze zijn onderdeel van een nieuwe aanpak om de bodemuitputting tegen te gaan. De bodemuitputting in Afrika tegengaan is hard nodig, zo constateerde de VN-voedselorganisatie nog weer eens in een evaluatie-rapport van eind april. Volgens de organisatie verdwijnt jaarlijks in Afrikaanse landen beneden de Sahel per hectare gemiddeld zo'n 24 kilo nutriënten uit de bodem. In veel Afrikaanse gebieden gaat de opbrengst daardoor gestaag achteruit.

Landbouwkundig voorlichter Walter Munywere wijst op de symptomen van bodemuitputting. De maïsplanten zien er miezerig en geel uit – stikstofgebrek, zegt hij kort. Sommige maïsbladeren hebben aan de randen roodpaarse plekken, wat wijst op fosfaatgebrek. En overal groeit het paarse striga, een hardnekkig onkruid dat het uitstekend doet op uitgeputte bodems.

We lopen naar een boer die zes variëteiten bonen heeft uitgeprobeerd: drie traditionele, door boeren geselecteerde rassen en drie moderne rassen van het Keniase landbouwkundig onderzoeksinstituut. Op een tafel naast een boom staan grote witte zakken, met twee van de drie moderne bonen uit het instituut. Het zijn de bonen die hij het beste vond. Hij heeft ze vermeerderd, en verkoopt ze nu aan andere boeren om te zaaien. Naast hem woont een oudere vrouw. Zij heeft terrassen gemaakt om erosie tegen te gaan en deze vastgezet met het stevige gras nepia, waarmee ze nu ook de koeienmest verbetert. Achter een van de terrassen groeit een stikstofbindend gewas dat tevens dient als veevoer. Haar koeien geven nu meer melk, zegt ze tevreden. ``We willen niet meer met één nieuw ras of één nieuwe teelttechniek komen voor het hele dorp', licht Walter Munywere de boerenexperimenten toe. ``Elke boer probeert uit wat bij hem past.'

armoedebestrijding

Twee uur vliegen van Ebusiloli, in een buitenwijk van Nairobi, ligt het goed geëquipeerde, stralend witte Centrum voor Onderzoek in Agrobosbouw (ICRAF ), een van de dertien internationale landbouwkundige onderzoeksinstituten die armoedebestrijding hoog in het vaandel hebben gezet. Daar horen we waarom het ICRAF, samen met een aantal Nederlandse en Keniase bodemkundigen, ervoor heeft gekozen om de Afrikaanse dorpelingen zelf te laten experimenteren met maatregelen die de bodem verbeteren en de opbrengst verhogen. De landbouwkundigen in Afrika staan voor een lastiger taak dan die in Azië, veertig jaar geleden. Ook daar moest destijds de voedselproductie vanwege de bevolkingsgroei flink omhoog. In de vruchtbare laagvlaktes lukte dit dankzij het bekende Groene Revolutie-pakket: moderne zaden, kunstmest, bestrijdingsmiddelen, kredieten en strak geleide voorlichting. Maar in Afrika is de Groene Revolutie nooit aangeslagen.

``De belangrijkste reden is de onvruchtbare bodem', licht econoom en directeur Ontwikkeling Glenn Denning toe. ``De Afrikaanse bodem is arm en oud, er is veel geërodeerd. En de bodemuitputting gaat verder omdat de gezinnen wél voedsel moeten verbouwen, maar te arm zijn voor bemesting. Internationale organen als de Wereldbank en de voedselorganisatie van de VN, de FAO, erkennen nu dit probleem.'

Het ICRAF kiest nu, samen met enkele nationale onderzoeksinstituten, de FAO en de Wereldbank, voor een nieuwe aanpak. Dat is nodig, want tot nu toe hebben de tientallen miljoenen Afrikaanse gezinnen die noodgedwongen achter hun huis hun eigen voedsel verbouwen nog niet geprofiteerd van het landbouwkundig onderzoek. Het twintig jaar oude ICRAF heeft allerlei technieken ontwikkeld om met goedkope, stikstofbindende bomen het inkomen van de kleine boeren te vergroten en het land vruchtbaarder te maken, maar er zijn nog maar enkele duizenden boeren die bomen met waardevolle vruchten, hout, veevoer en medicinale stoffen hebben geplant. ``Zo kunnen we niet doorgaan', zegt Denning eerlijk. ``We moeten onze donoren laten zien dat onze inspanningen en onze kennis de boeren bereiken, we moeten het onderzoek voor hen relevanter maken.'

Het ICRAF heeft zich tot taak gesteld in 2010 tien miljoen, en in 2020 honderd miljoen arme boeren te hebben bereikt. Het heeft daartoe onlangs voor het hele instituut een participatieve onderzoeksbenadering aangenomen. Nadrukkelijk staat ook niet de veredeling van planten en de biotechnologie in het centrum, zoals in veel landbouwkundige onderzoeksinstituten tegenwoordig het geval is, maar het management van natuurlijke bronnen (Natural Resource Management). Hierbij worden traditionele en door boeren ontwikkelde technieken net zo serieus genomen als moderne technieken uit laboratoria.

Ebusiloli is een voorbeelddorp. In het verleden hebben nieuwe rassen en technieken vaak alleen de rijke boeren bereikt, omdat geen rekening werd gehouden met de beperkte koopkracht en tijd van de armen. Om dat te voorkomen hebben de landbouwvoorlichters eerst via interviews en groepsdiscussies drie groepen gevormd: een relatief rijke groep die al maatregelen neemt om de bodem vruchtbaar te houden, een middengroep, en de armste groep die geen koeien heeft voor mest, geen geld voor kunstmest en weinig tijd omdat ze ook op het land van anderen werk. Die laatste bleek de grootste groep. Dertig boeren en boerinnen, afkomstig uit alle drie groepen maakten tekeningen van de mest- en gewasstromen op hun bedrijf. De onderzoeksinstituten ondersteunen nu de groepsdiscussies en de boerenexperimenten met bijvoorbeeld bodemanalyses, mestanalyses en verbeterde rassen.

``De grote uitdaging is nu de opschaling', zegt Denning. ``Met deze participatieve aanpak hebben we nu duizenden boeren bereikt. Hoe bereiken we miljoenen boeren? We zijn nu begonnen met handleidingen en cursussen voor voorlichters. Maar dan nog zullen er nooit genoeg landbouwkundigen zijn om al die dorpen intensief te begeleiden. Boeren moeten dus elkaar instrueren, bij elkaar gaan kijken in farmer field schools. Hoe organiseer je dat? Verder zal het bij opschaling nog een probleem worden om al die boeren en boerinnen van goed uitgangsmateriaal voor de bomen en gewassen te voorzien – we moeten ze dus leren hoe ze moeten vermeerderen. En hoe voorkom je ziektes, als bepaalde bomen op grote schaal worden aangeplant? We hebben nog lang niet alle antwoorden.'

kunstmest

Struikelblok is de slecht functionerende Afrikaanse markt die de dorpelingen niet stimuleert mee te werken. Boerinnen krijgen steeds minder voor de voedselgewassen die ze verkopen, terwijl kunstmest en goede zaden juist duurder worden. Daarbij is kunstmest in Afrika slecht verkrijgbaar, in onduidelijke en niet aan kleine boeren aangepaste verpakkingen en hoeveelheden. In veel landen vormt ook het gebrek aan landrechten een probleem; waarom zouden kleine boeren moeite doen voor bodemvruchtbaarheid, als hun land morgen kan worden afgepakt? Het ICRAF betrekt daarom steeds vaker politici en beleidsmakers bij zijn onderzoek. Denning: ,,Politici moet je dan niet bij elkaar zetten in dure hotels, en ook geen rapporten opsturen die vervolgens in de la verdwijnen. Nee, je moet ze meenemen naar het veld en ze laten zien hoe hun beleid tot bodemuitputting leidt. Je moet ze maandelijks benaderen. Dat werkt.'

Terug in Ebusiloli. Landbouwvoorlichter Munywere meldt trots dat volgende week zestig boeren en boerinnen uit een naburig dorp naar de experimenten komen kijken. Ook de deelnemende boeren zelf tonen zich optimistisch. Terwijl we op houten banken voor een kaal schooltje zitten, benadrukt de oudste boer hoe belangrijk de experimenten voor hen zijn. ,,We dachten altijd: we hebben nu eenmaal geen geld voor kunstmest. Maar omdat we ook weinig andere ideeën hadden gingen we maar door met de bodem uit te putten. Nu halen we weer hogere opbrengsten. Andere boeren zijn heel geïnteresseerd in wat we doen.'

    • Marianne Heselmans