Jargon

De instellingen die zich traditioneel richten op onderzoek van het onderwijs zijn voortgekomen uit de universiteiten en dat is aan alles te merken. Hun rapporten staan bol van het researchjargon en zijn alleen voor insiders te begrijpen. Opdrachtgever voor dergelijk onderzoek is vaak de overheid. Er komen lastige vragen uit de Tweede Kamer en de minister antwoordt dat het probleem hem hoogst belangwekkend toeschijnt, dat er evenwel vooralsnog geen duidelijkheid bestaat omtrent de oorzaak van genoemd probleem, dat ook niet bekend is in welke mate het zich voordoet en dat hij dat zal laten onderzoeken. Daarna, zo krijgt de geachte afgevaardigde toegezegd, zal erop worden teruggekomen. Weg lastige vragen. Tegen de tijd dat de antwoorden komen zit er een andere minister, is de Kamer de vragen al weer vergeten of is het onderwerp niet langer actueel. Veel onderzoek maakt dus deel uit van een rituele dans en is bepaald niet bedoeld om antwoord te geven op wat voor vraag dan ook, laat staan om door wie dan ook te worden begrepen.

Daarnaast hebben beleidsmakers behoefte aan niet zozeer onderzoek, alswel aan bepaalde antwoorden om hun handelen te legitimeren. Onderzoek dus dat zich niets gelegen laat liggen aan wetenschappelijke voetangels, klemmen, mitsen en maren, maar zonder omhaal de antwoorden levert waar beleidsmakers op zitten te wachten. Het is daarom niet verwonderlijk dat de laatste tijd allerlei onderzoeksbureaus zijn opgezet die ernaar streven beleidsmakers op hun wenken te bedienen.

Door toeval kreeg ik onlangs een rapport onder ogen waarin opzichtig alles wordt vermeden wat de opdrachtgever zou kunnen mishagen en dat qua diepgang en stijl ver achterblijft bij het opstel van een matige 4-havoleerling. Het werkstukje is opgesteld door een bedrijf dat zich heel eigentijds tooit met de naam Research International B.V. Daar is natuurlijk op zichzelf niks mis mee, met zon naam die getuigt van allure; het is alleen wat potsierlijk als het product van Research International B.V. qua allure daar zo ver bij achter blijft.

Het rapport, geschreven door het duo Rob Drent en Niki van der Meer, draagt als titel Identiteit Leraren. De lezer wordt voorgehouden dat het overbrengen van kennis het leraarsvak leuk maakt, leraren het leuk vinden op de hoogte te blijven van hun vak, dat de lange vakanties behoren tot de leukste aspecten van het leraarschap en dat de werkdruk als het minst leuk wordt ervaren. Foei, Rob en Niki, wat een verbale armoe. In 4 havo doen we dat anders. Dat geldt ook voor de passage ``De buitenwacht heeft een beeld van de leraar die om 3 uur thuis komt en dat zijn werkdag er dan op zit. Men ziet echter vaak niet dat men vaak in de avonduren nog werkt.'' Als jullie die passage nou eerst eens herschrijven, dan kom je er vanzelf achter wat daar zoal aan mankeert.

In de slotparagraaf van de conclusies lichten zij het onjuiste beeld dat de goegemeente zou hebben van het leraarschap nog verder toe met ``de leraar die zich in een klas vol lastige leerlingen staande moet zien te houden''. Dit resulteert in de kernachtige conclusie: ``Als het imago van het leraarschap in één woord omschreven zou kunnen worden, dan zou het woord `onjuist' hier op zijn plaats zijn.''

Hoe denken onze opstelschrijvers nu het imago van de leraar te verbeteren? Zij adviseren ter propagering van het beroep erop te wijzen dat het leraarschap een interessante baan is vanwege de omgang met leuke kinderen en een afwisselende baan vanwege de vele activiteiten die men naast het lesgeven verricht.

En nu de vraag: wat is erger, het onderzoeksbureau dat een slecht opstel inlevert of het miljardenbedrijf dat daar zijn reclamecampagne op afstemt?