`Het waren dode Japanners die mij bijna vermoordden'

De jeugd van marine-officier Gerard Brummer (72) is getekend door het optreden van het Japanse leger in Zuidoost-Azië. Bij de komst van keizer Akihito naar Nederland spreekt hij over de ongewone verwerking van zijn oorlogservaringen. `Toen de honden uit het kamp werden verbannen, huilde iedereen. Toen wij jongens weg moesten, niemand.'

Verbittering is een gevangenis waaruit een mens alleen zichzelf kan bevrijden. Een ander kan die cel niet voor je ontgrendelen. Je moet eigenlijk een overwinning op je ego behalen, op de pijn en verdriet die je identiteit hebben gevormd. Dat is werk, hard werk. Als het niet zo cynisch klonk, zou ik zeggen: dwangarbeid.''

,,De theetuinen rond ons ouderlijk huis in Hangzhou waren een mooie speelplaats voor een jongetje van tien. Maar op een dag werd alles anders. Ik zag een tweemotorig vliegtuigje opdoemen. Terwijl het laag over scheerde, begon de bemanning met een boordmitrailleur op me te schieten. Daarna gooiden de soldaten handgranaten. Boven mijn hoofd kieperden ze als het ware mandjes met projectielen om, die godzijdank iets verderop ontploften. Zoekend naar dekking sprong ik in een ravijn. De schuilkelder die mijn vader had aangelegd, was te ver weg.

,,Het was juli 1937. Grote delen van China – op dat moment geregeerd door de Nationalistische Partij van Chiang-kai Shek – werden bezet door de Japanners. Mijn vader werkte er als waterbouwkundig ingenieur. In dienst van de Nederlandsche Maatschappij voor Havenwerken gaf hij sinds 1919 leiding bij de aanleg van havens: aan de Gele Zee, in Kanton, Macau, en in riviersteden. Een jaar na zijn stationering had hij vanuit Nederland een vrouw laten overkomen – ze waren met de handschoen getrouwd. Al snel kregen ze hun eerste zoon. Hij overleed kort na de geboorte, net als het meisje dat een jaar later ter wereld kwam. Dit onderwerp was bij ons thuis absoluut taboe. Met de kinderen die later kwamen, hebben mijn ouders er nooit over gesproken – wij hoorden het via-via.

,,Mijn zusjes en ik zaten op verschillende kostscholen in Sjanghai. In zomer- en wintervakanties mochten we naar onze ouders in Hangzhou, oostelijk China. Mijn vader was daar bezig met het bouwen van een grote brug over de Chen Tang-rivier. Die brug, een cruciale schakel in de noord-zuidverbinding, was die zomer van '37 net afgekomen. Dubbeldeks, spoor beneden, autoweg boven. Lengte: twee kilometer. Voor die tijd een vrij revolutionaire constructie, zeker in een land als China.

,,Toen de Japanners in juli met hun vliegtuigen en tanks oprukten richting Hangzhou, hadden wij drie uur om de koffers te pakken. Er zat maar één ding op: vrijwel alles achterlaten. We gingen naar de spoorlijn, waar een passagierstrein klaarstond die nog nooit over de brug was gereden. Met honderden Chinezen stapten we in. Onder ons glansde het water – ik weet nog hoe trots ik was op mijn vader. Aan de overkant van de rivier liet hij de locomotief stoppen. Hij stapte uit, liep naar een verstopte detonator, en blies zijn eigen brug op. Een explosie, rookwolken... ik zie die pijler nog ineenzijgen.

,,Mijn vader bleef er uiterlijk onbewogen onder. Hij was een beheerst man. Zwijgzaam, op het stoïcijnse af. In september 1945 maakte ik dat heel extreem mee. Wij zagen elkaar weer terug nadat we in Indonesië drieënhalf jaar zonder contact in verschillende Japanse kampen hadden gezeten. Ik was naar hem op zoek gegaan, en na een zware tocht vond ik hem, bij Bandung, tussen tienduizend gevangenen. Ik wandel dat kamp binnen, en de achtste persoon die ik tegenkom, is mijn vader. Ik tik hem aan: `Pa! Hier ben ik weer!' Hij kijkt me aan en zegt: `Houd dit vuurtje even gaande, jongen. Ik moet nog een paar honden en katten slachten'. Hij vroeg niet hoe ik het had gehad, niks. Een versteend mens. De rest van zijn leven zou hij me niet één vraag stellen over mijn ervaringen.

,,Nadat mijn vader zijn brug onklaar had gemaakt, reed de trein verder, tot het spoor in the middle of nowhere ophield. Lopend door de rijstvelden bereikten we na 48 uur de bewoonde wereld. In dezelfde fase bezetten de Japanners Nanking, indertijd de Chinese hoofdstad. Ze hielden er vreselijk huis. Volgens de geschiedenisboeken hebben ze driehonderdduizend burgers afgeslacht. Ze lieten mensen grote gaten graven, geboden hen op de rand plaats te nemen en schoten hele massa's het graf in. Of die Chinezen nog leefden of niet, dat maakte niet uit: zand erover.''

Het waren dode Japanners die mij bijna vermoordden. In Sjanghai. Ons gezin kwam er na een vlucht van vijf dagen aan. De settlements van de Westerse landen, de zogenaamde concessies in de stad, waren nog veilig – ze werden bewaakt door eigen troepen. Mijn ouders vonden een Engelse kostschool die plek voor me had. Vervolgens vertrokken zij naar Changsha, in het niet-bezette deel van China. Daar werd mijn vader directeur van een kolenmijn.

,,Op een zondag wandelde ik met twee kameraadjes naar een park. Ik haalde met emmer en touw wat water uit een put om de dorst te lessen. De Chinezen die toekeken, waarschuwden ons niet: weken eerder waren er gekilde Japanse militairen in die put gegooid. Die lagen te rotten. Dezelfde avond belandden wij in een katholiek ziekenhuis. We hadden tyfus opgelopen. Medicijnen waren er niet, van infusen had niemand gehoord. 's Morgens, 's middags en 's avonds kreeg ik een half kopje melk. Halverwege de week fluisterde een verpleegster in mijn oor dat m'n kameraadjes waren overleden. Ikzelf heb twee maanden op sterven gelegen. Vel over been. Om de paar weken kregen mijn ouders een telegram: Gerard leeft nog. Op bezoek kwamen ze niet. Ze zagen geen kans om de Chinees-Japanse gevechtslinies te passeren.

`Je bent er doorheen', zei een arts op een gegeven moment tegen me. Ik mocht met een rolstoel naar buiten. Naast me in de tuin zat een vrouw het brevier te bidden: de Belgische non die me erdoor had gesleept. De eerste liefde in mijn leven kwam van haar. Nee, niet van mijn ouders. Dat waren afstandelijke mensen. Ik heb niet één herinnering aan een situatie waarin ze liefdesblijken uitwisselden, een kus, een streling, een ondeugende glimlach voor mijn part. Ik heb eens uitgerekend hoeveel tijd ik in m'n jeugd bij mijn ouders heb doorgebracht: alles bij elkaar hooguit vier jaar. En als we samen waren, ervoer ik de omgang als vrij koel.

,,Eind '39 kreeg mijn vader het gevoel dat we maar beter de wijk konden nemen. De Japanners wonnen te veel terrein. Ook in Sjanghai merkte je dat ze zich oppermachtig voelden. Op sommige kruispunten controleerden ze de papieren van passanten, en als ik het lef had zomaar door te lopen, werd ik in mijn gezicht geslagen. Je moest buigen. Zij waren vertegenwoordigers van Hirohito. In hen beledigde je de god-keizer.

,,Via Hongkong reisde ons gezin in de zomer van 1940 naar Nederlands-Indië. Voor de Hollandsche Beton Maatschappij bouwde mijn vader in Surabaja een Heinekenbrouwerij, en verder vooral pillboxes: bunkers met bewapening voor de verdediging van de stad. Veel helpen deed het niet. De Japanners namen Indonesië relatief makkelijk in. Ik zag ze Batavia binnenrijden op fietsen. Niet één tank over de kalie zien komen. Hebben ze ons toch ingehaald, dacht ik.

,,Mijn vader werd opgepakt en weggevoerd naar het kamp Adek. Mijn moeder, mijn zusjes en ik moesten ons in de loop van 1942 met duizenden anderen in kamp Tjideng melden. Ik was vijftien. Ouden van dagen verpleegd, in de keuken en bij de vuilnisophaaldienst gewerkt. De Japanners besloten na verloop van tijd jongens van mijn leeftijd naar een ander oord te sturen. Weet u wat ik nog steeds zo merkwaardig vind? Toen de honden uit het kamp werden verbannen, huilde iedereen. Toen wij jongens weg moesten, niemand.

,,Als gevangene wist je nooit waar je aan toe was met de Japanners. Voor het minste of geringste kon je klappen krijgen. In het kamp Tjideng ben ik een keer met een handvol knapen op een smal muurtje gezet, in hurkzit. Zo goed en zo kwaad als dat ging in die houding, moesten we springen. En als we niet slim sprongen, waren we onze voeten kwijt. Want vóór ons stond een militair te zwaaien met zijn samoeraizwaard – onder ons door. Soldatenlol, hè. Een andere gebeurtenis was de poging van een Indonesiër om 's nachts het kamp binnen te sluipen en spullen te stelen van de Westerlingen die er waren geïnterneerd. Ik greep die inlander bij zijn kladden, niet wetende wat de Japanners met hem zouden doen. Ze bonden de inbreker aan een boom en lieten hem levend opeten door rode mieren. Zijn marteldood duurde dagen.

,,Geweld en vernederingen waren dagelijkse kost in het kamp waar ik de langste tijd zou doorbrengen: Tjimahi. Heel veel slaag, zeven dagen per week slavenwerk. Op zeker ogenblik kregen we de opdracht per persoon twaalf wandluizen in te leveren. Ik kon er niet eentje overhandigen. De kampcommandant liet iedereen aantreden, en brulde drie keer: `Wie heeft er te weinig wandluizen ingeleverd?' Uiteindelijk trad ik naar voren – ik wilde niet dat iemand anders werd gestraft. Daarop gingen nog elf handen omhoog. We kregen de opdracht elkaar af te tuigen. Toen we te voorzichtig sloegen, kwamen er Japanners met bajonetten op hun geweren om ons heen staan. Anderhalf uur lang hebben we elkaar toen voor het oog van de kampbevolking kapot gebeukt. We zijn letterlijk teruggekropen naar onze barakken.

,,Executeren deden de Japanners niet in Tjimahi. De gedetineerden – belast met het bouwen van stellingen voor luchtafweergeschut – gingen vanzelf wel dood. Aan hongeroedeem of iets anders. Ik was verpleger in de ziekenboeg, waar permanent zo'n vijftig mensen met bacillaire dysenterie lagen. Dagelijks kwamen er een paar bij, en stierven er een stuk of wat. Als ratten. Het enige wat je kon doen, was mensen schoonhouden. De medicijnen waar de Japanners over beschikten, kregen wij niet. Honderden doden heb ik in die periode afgelegd. Wassen, laken eromheen draperen, en dan: weg. Menigmaal vond ik na het overlijden van de patiënt een koffertje onder zijn bed waarin hij gedroogd eten bewaarde – voor slechte tijden. De verleiding was groot die gedroogde pap of vis op te schrokken. Maar er konden ziektekiemen inzitten en ik wist uit eigen ervaring hoe snel een verzwakt mens dodelijk besmet kon raken. Terwijl het water in mijn mond liep, gooide ik het eten weg.''

Ik hoopte dat u niet zou vragen naar het lot van mijn moeder. Zij was al sinds de jaren dertig invalide, door reumatiek. Maar ze had een sterke wil. Toen zij ernstig ziek werd, zei een Japanse officier dat ze in een ander kamp uitstekend kon worden behandeld. Behalve u gaan nog vijftig andere vrouwen. Enkele weken later kwamen ze terug. Opgestapeld in een vrachtwagen. Lijken. De Japanners hadden die vrouwen ergens opgesloten en simpelweg laten kreperen. Mijn zusjes klommen op de truck om hun moeder te vinden en te begraven. Ergens onderop troffen ze haar aan. Ze ademde nog. Net als één andere vrouw. Mijn moeder heeft nog veertien jaar geleefd. Maar uit haar mond geen woord hierover. Pas vier jaar geleden vertelde een zus mij dit verhaal. Het is de eerste keer dat ik er publiekelijk over praat. De eerste keer dat het me zo ontroert.

,,Zwijgen over zulke oorlogservaringen leek vanaf het moment van de Japanse overgave logisch. Het gewone leven slurpt je op, bovendien wil je de wond laten dichtgroeien. Ik weet niet of dat slecht is. Mij stelde die nuchterheid na '45 in staat hier een normaal leven te beginnen. Ik trok me er weinig van aan dat in Holland werd voorbijgegaan aan het leed van de Indische Nederlander. Als je je hart wilde uitstorten, zei men: `Hou maar op, we weten wat je bedoelt, wij hebben de hongerwinter meegemaakt'. Ik verzegelde mijn lippen en ging aan de slag. Deed in no time de hele HBS, werd marine-officier, begon aan een gelukkig huwelijk, voer als commandant op diverse schepen. Later keerde ik terug in de burgermaatschappij. Ik was onder andere elf jaar directeur van de Stichting Voorlichting Energiebesparing Nederland, u weet wel: die club met dat beroemde logo, een kaarsje in de vorm van een half opgebrande wereldbol. Ach, ik boerde niet slecht, schreef zelfs nog iets moois op mijn naam. In opdracht van de marine ging ik in 1962 naar Antarctica, met de USS Glacier, de grootste Amerikaanse ijsbreker. Opdracht: ervaring opdoen in polaire wateren. Per Hercules – een toestel voorzien van ski's – bereikte ik als eerste Nederlander de Zuidpool, in de voetsporen van Amundsen.''

,,Ik heb geen hekel aan Japanners. Nooit gehad. Dat kan ik met de hand op mijn hart zeggen. Toen ik na die gedwongen vechtpartij met mijn kampgenoten in Tjimahi op de grond lag, met een lichaam waarvan elke spier klapperde, keek ik de kampcommandant recht in zijn gezicht. En toch haat ik jou niet, dacht ik. Wij begrijpen gewoon niks van elkaar. Je moet relativeren, de dingen een beetje in proportie zien. Ook als het moeilijk is. Wat de Duitsers uithaalden in Auschwitz – systematisch een volk uitroeien – was van een andere orde dan wat de Japanners in hun concentratiekampen deden. De nazi's toonden zich nóg boosaardiger. Misschien heb ik makkelijk praten, hoor. De afstandelijkheid zit me in het bloed. In dat opzicht is het een zegen dat mijn ouders kil waren.

,,Mijn rustige kijk op dit soort zaken vloeit ook voort uit mijn geloof. Ja, daar komt god weer als een duveltje uit een doosje. Ik ben christen, heb me altijd gesteund gevoeld door de Heer. Op mijn zevende stond ik in Sjanghai 's morgens om half zes in een duistere, lege kerk voor de dagelijkse mis. Ik voelde me alleen op de wereld. Ik hoorde een stem die zei: `Gerard, je bent beslist niet alleen op de wereld. God is bij je.' Sindsdien heb ik er altijd op vertrouwd dat het wel goed komt allemaal – sorry voor de onbeholpen bewoordingen.

,,Hier zit geen heilige, hoor. Het valt wel mee met mijn lankmoedigheid. Zo zul je mij niet horen zeggen dat ik Japanners respectéér. Het is een zeer wreed volk. Dat zit niet in hun genen, maar wel in hun wezen. Je ziet het aan de prominente rol van geweld in de huidige Japanse samenleving. Bij de Duitsers ligt dat anders. Die waren tijdelijk in de ban van een beestachtige ideologie. De Japanners zijn nog altijd producten van oude en taaie tradities, die zij hebben gecultiveerd, gekoesterd – in een zelfgekozen isolement. Ze veranderen wel, maar dat proces zal honderden jaren vergen.

,,Als ik de kans kreeg om met keizer Akihito te spreken, zou ik hem hartelijk welkom heten in Nederland, de hand schudden en vragen of hij zijn bevolking niet wat krachtiger kan opvoeden in menselijkheid. Om te beginnen zouden ouders liefdevoller en met minder distantie hun kinderen moeten bejegenen. En de slaafsheid tegenover het gezag in die samenleving dient te verdwijnen.

,,Ik denk dat de keizer me bevreemd zou aankijken. Ik ben ervan overtuigd dat hij – net als de meeste van zijn landgenoten – Japan niet echt schuldig acht aan wat er is gebeurd. De toenmalige premier Obuchi had het enkele maanden terug over diepe spijt en oprechte excuses, maar op mij maakte het geen geloofwaardige indruk. Hij zei het louter uit politieke overwegingen. Zo ligt het ook met de uitspraak die keizer Akihito enkele dagen geleden deed: `De oorlog heeft vele slachtoffers voortgebracht en mijn hart doet pijn als ik denk aan de mensen die juist nu nog pijn meedragen.' Het is zinloos dat de Nederlandse regering op aandrang van het Indisch Platform om dergelijke gebaren vraagt. Persoonlijk hecht ik ook niet aan verontschuldigingen. Hetzelfde geldt voor financiële vergoeding van het oorlogsleed door Tokio – een bekende eis van de stichting Japanse Ereschulden. Ik hoef geen cent. Smartengeld kan de doorstane ellende niet compenseren. De Japanners peinzen er trouwens niet over hun portemonnee te openen. Dan komen er immers miljoenen familieleden van vermoorde Chinezen aankloppen en wordt het een multimiljardenkwestie.''

Ik heb maar één nacht in mijn leven niet geslapen. Dat was zeven jaar geleden, nadat mijn lieve vrouw binnen vijftig seconden in mijn armen aan een hartstilstand was overleden. Van de kampen heb ik nul keer wakker gelegen. Ik heb er zelfs nooit van gedroomd. Laat staan dat ik last heb van een syndroom. Toch kan ik meevoelen met vervolgingsslachtoffers die tot op de dag van vandaag boos en verdrietig zijn. Ik zal van niemand vragen dat-ie vergeet wat er is geschied. Maar wel dat-ie vergeeft. Mij is het ook gelukt. Behandel een ander zoals je zelf behandeld zou willen worden, en besef dat dat ook een geschenk is aan jezelf. Vergeving is de enige manier om je te ontdoen van de ketenen waarmee je vast zit aan de Japanners. De enige manier om niet tot je dood hun gevangene te blijven.''

Met medewerking van Zhimin Tang