Geverfd gazon

Commencement, het grote collectieve afstuderen op 8 juni, werpt zijn schaduw vooruit. De Harvard Gazette heeft inmiddels bekendgemaakt wie de spreker zal zijn dit jaar. Dat wordt de Nobelprijswinnaar voor economie Amartya K. Sen. Het lichte amusement wordt verzorgd door alweer een Nobelprijswinnaar, Seamus Heany, die op dit moment een transatlantische bestseller heeft in zijn versvertaling van Beowulf. Hij zal voorlezen uit eigen werk.

Commencement is ook de gelegenheid dat de reünisten terugkomen naar Harvard. Dat betekent dat het terrein van de universiteit tegen die tijd er piekfijn uit moet zien. De universitaire plantsoenendienst is dan ook al druk in de weer. Alle gazons zijn afgezet met een touwtje, de afgetrapte gazonranden zijn losgewoeld met de daartoe gepaste apparatuur, en vervolgens bespoten met een graskleurig mengsel van graszaad en mest, zodat in begin juni de gazons weer perfect aansluiten op het asfalt van de paden. Helaas is het `graskleurig' net zo levensecht als het `vleeskleurig' van ouderwetse corsetten, zodat het echte gras en het graszaad-mest-mengsel vreselijk met elkaar vloeken. Het lijkt nu of iemand met net de verkeerde kleur verf de gazons heeft bijgeverfd.

Langs deze bijgewerkte gazons en straatranden begeef ik me soms van mijn eigen gebouw naar Coolidge Hall, waar de interdisciplinaire instituten op het terrein van Oost-Europa, Azië en Afrika zijn gevestigd. Coolidge Hall is een degelijk en fantasieloos gebouw uit de jaren zestig, maar het huisvest een aantal interessante collega's en heeft enkele geschikte ruimten voor lezingen en seminars. Maar Coolidge Hall staat op de nominatie om afgebroken te worden om vervangen te worden door Knafel Hall, die dezelfde instellingen huisvesting moet bieden en nog enkele meer. Iedereen in Coolidge Hall leeft dan ook in de angstige afwachting van de aanstaande afbraak.

Het is natuurlijk nog maar de vraag of de afbraak zal doorgaan. Coolidge Hall ligt namelijk aan de rand van het universiteitscomplex en heeft buren. Nu er een verbouwing op handen is heeft de buurt verzet aangetekend. Het is net als in Nederland niet bij voorbaat duidelijk op welke rationele gronden dat verzet is gebaseerd. Omwonenden zijn er blijkbaar transatlantisch van overtuigd dat een verandering alleen maar een verslechtering kan betekenen en dat de veiligheid van de kinderen, de eigen levensvreugde en de waarde van het eigen bezit drastisch zullen dalen door de toenemende parkeeroverlast of de duistere slagschaduw van het gebouw. De architect legt daarom op voorlichtingsbijeenkomsten uitentreuren allervriendelijkst uit dat het nieuwe gebouw niet groter zal worden dan het oude gebouw maar slimmer zal worden ingericht en brengt op verzoek van de buurt telkens weer nieuwe wijzigingen aan in het ontwerp.

Het verzet van de omwonenden heeft inmiddels zulke bizarre vormen aangenomen dat ze zelfs gekapitteld worden door de columnisten van de de Boston Globe, maar de omwonenden zullen ook daar wel weer de werking zien van Harvards grootkapitaal.

Het is niet de eerste keer dat Harvard overhoopt ligt met zijn buren. En het is heus geen uitgemaakte zaak dat Harvard uiteindelijk altijd wint, zelfs als het project veel prestigieuzer is dan Knafel Hall. Na de dood van president Kennedy was Harvard de eerste keuze voor de locatie van het Kennedy Museum en de Kennedy Library. J.F.K. had nu eenmaal op Harvard gestudeerd. Grootse plannen werden getekend voor een gebouw aan de Charles Rivier door niemand minder dan I.M. Pei, maar de brave burgers van Cambridge liepen te hoop tegen de horizonvervuiling, de overlast en wat dies meer zij, de plannen werden bijgesteld, veranderd, herzien, gewijzigd en nog een keer door de molen gehaald, maar het eindresultaat was dat na jaren van getouwtrek Harvard nu wel een Kennedy Park (een grasveldje niet groter dan een voetbalveld) en de Kennedy School of Government heeft, maar dat het Kennedy Museum en de Kennedy Library nu te vinden zijn aan de andere kant van Boston, op de campus van de University of Massachusetts at Boston. Het gebouw dat het museum en de bibliotheek huisvest ligt daar overigens prachtig, dus wat dat betreft is het voor de toerist ook helemaal geen ramp. Maar het prestigeverlies voor Harvard was natuurlijk groot en wordt nog steeds gevoeld.

De University of Massachusetts at Boston was de laatste dagen plaatselijk in het nieuws omdat de (vrouwelijke) chancellor onder grote druk stond om af te treden. Een extern rapport had haar functioneren op een aantal aspecten negatief beoordeeld. Ze werd bijvoorbeeld verantwoordelijk geacht voor het feit dat zoveel decanen slechts zo kort in functie bleven. Maar menigeen zag duistere machten aan het werk en achterkamerpolitiek. Dat was reden voor de kranten om nog eens weer naar de verrichtingen van de University of Massachusetts at Boston te kijken.

Wat opvalt is dan hoezeer een dergelijke publieke universiteit lijkt op de gemiddelde Nederlandse universiteit. De University of Massachusetts at Boston bedient bijna 14.000 studenten met een jaarlijks budget van een kleine 150 miljoen dollar. De instelling heeft een kapitaal van 38 miljoen aan endowments opgebouwd. Dat is niet gering maar ook niet schokkend: Harvard bijvoorbeeld gaat ervan uit dat 3 miljoen dollar nodig is als kapitaal om uit de opbrengst de volledige kosten van een permanente positie te garanderen. Wie denkt dat aan Amerikaanse universiteiten het studierendement zoveel hoger ligt dan in Nederland komt bedrogen uit: slechts eenderde van de ingeschreven studenten studeert uiteindelijk af. En dat terwijl de University of Massachusetts at Boston wel degelijk toegangseisen stelt. Terwijl in 1990 nog de helft van de aanmeldingen werd toegelaten, wordt nu minder dan de helft toegelaten en iedereen beschouwt dat als een positieve ontwikkeling.

De University of Massachusetts at Boston moge niet de `premier public institution for urban education' geworden zijn die de oprichters vijfendertig jaar geleden voor ogen zweefde, maar de instelling heeft wel degelijk haar eigen wetenschappelijke ambities. De middelen voor onderzoek zijn sinds 1995 met 22 procent gestegen en een van de andere bezwaren tegen de chancellor was dat ze er onvoldoende in geslaagd zou zijn om excellente wetenschappers aan te trekken. Men gaf graag toe dat ze de instelling op bekwame wijze door de budgetkortingen van de vroege jaren negentig had geloodst, maar de tijden waren nu anders en dus was het Der Mohr hat seine Schuldigkeit getan, der Mohr kann gehen.

Het is natuurlijk prachtig om te pas en te onpas een unieke instelling als het Massachusetts Institute of Technology aan de Nederlandse universiteiten ten voorbeeld te stellen, zoals onlangs nog eens weer gebeurde in het manifest `Naar een universitair reveil'. Maar wat is de zin van dergelijke verwijzingen als men niet bereid is om het hele Nederlandse onderwijsbestel aan de orde te stellen, of tenminste het hele hoger onderwijs? En dan gaat het niet alleen om het geld. Wie stelt dat Amerikaanse studenten naast hun hoofdvak zoveel aandacht besteden aan andere vakken, moet natuurlijk wel beseffen dat de Amerikaanse undergraduates naar de universiteit komen zonder hun hoofdvak al bepaald te hebben. Ze hebben misschien wel een specifieke belangstelling die hun keuze van vakken zal sturen, maar ze schrijven zich niet in bij een specifieke faculteit of opleiding. Ze hebben dus nog geen hoofdvak, dat ontwikkelen ze in de loop van de studie. Zoiets maakt het psychologisch ook veel makkelijker voor studenten om heel verschillende dingen te doen: Oud-IJslands gaat niet ten koste van Theoretische Natuurkunde maar beide zijn opties binnen het undergraduate program, dat vooral een brede algemene vorming wil bieden.

Wie dus wil dat aanstaande natuurkundigen, medici of sociale wetenschappers een algemene vorming krijgen, moet niet binnen de huidige structuur een paar studiepunten van het eerstejaarsprogramma of van het tweedejaarsprogrammma afknabbelen, want dat zal altijd als een aantasting van het hoofdvakprogramma worden gezien en bij de eerste herziening van het programma weer worden teruggekaapt. Zo iemand moet bereid zijn de hele organisatie van de universiteit in faculteiten en opleidingen op de helling te zetten. Zo niet, dan blijven de algemeen vormende vakken graskleurige verfstreken op het gazon.

En wie de verschoolsing wil aanpakken moet bereid zijn te erkennen dat ook in het tertiaire onderwijs grote verschillen qua niveau moeten kunnen bestaan, zodat studenten een universiteit of hogeschool kunnen kiezen die aansluit bij hun geschiktheid en ambitieniveau. Nu leiden in Nederland de goede en zwakkere studenten onder programma's die toegesneden zijn op de grootste gemene deler. Nederland is klein maar altijd nog veel groter qua inwonersaantal dan de hele Commonwealth of Massachusetts, dus het zou best een zeer gevarieerd systeem kunnen aanbieden. Ten minste één Nederlandse universiteit die erop vertrouwt dat de afgestudeerde studenten ongeacht hun specialisatie in elk geval gehoord hebben van de namen van Sen of Heaney is toch niet te veel gevraagd?