`Euthanasie is geen haastklus'

Speciaal getrainde huisartsen helpen collegae bij euthanasie. Is de euthanasie-arts een feit?

Huisartsen die euthanasie melden, houden zich keurig aan de regels, meldden de vijf `regionale toetsingscommissies' deze week in hun eerste jaarverslag. Weinig verrassend, want huisartsen die zich niet aan de regels houden lappen waarschijnlijk ook de meldingsplicht aan hun laars. Slechts 40 procent van alle euthanasiegevallen wordt gemeld.

Om de meldingsbereidheid te vergroten wordt het huisartsen zo makkelijk mogelijk gemaakt aan de zorgvuldigheidseisen te voldoen. Een van die eisen is het onafhankelijk oordeel van een tweede arts. In 1997 besloten de artsenorganisatie KNMG en de Landelijke Huisartsenvereniging een aantal huisartsen een speciale training te geven, zodat ze hiervoor door collegae kunnen worden geraadpleegd. De artsen krijgen een driedaagse cursus met onder meer gesprekstraining, les over palliatie (technische en medicinale middelen om het lijden te verlichten) en over manieren om vast te stellen of iemand 'ondraaglijk lijdt' - een andere eis. Inmiddels zijn er 120 van deze SCEN-artsen (Steun en Consultatie bij Euthanasie in Nederland). Hun aantal stijgt de komende twee jaar tot 500.

SCEN-artsen zijn zeven keer per jaar een week bereikbaar voor advies. Hun eigen praktijk loopt in die week gewoon door en ze zijn alleen op kantoortijden bereikbaar. ,,Euthanasie is geen haastklus. Huisartsen moeten dat doordeweeks goed geregeld hebben'', zegt Rob Stolk, huisarts in Tilburg en sinds begin dit jaar ook SCEN-arts. Huisartsen kunnen een SCEN-arts niet rechtstreeks benaderen. ,,Daar zit een dienst tussen'', zegt Eric van Wijlick, projectleider van SCEN. ,,Als vragende arts weet je niet van te voren wie de SCEN-arts wordt. Dat vergroot de onafhankelijkheid.'' Wel is het iemand uit de eigen regio. Volgens Stolk is het geen bezwaar als artsen elkaar oppervlakkig kennen. ,,Het belangrijkste is dat je jezelf elke keer afvraagt: Ben ik vrij om nee te zeggen, om kritiek te hebben.''

Tot nu toe heeft Stolk een week SCEN-dienst gehad. In die week benaderden twee huisartsen hem voor een consultatie (bezoek aan een patiënt die verzocht had om euthanasie). Stolk liet de dossiers faxen. Hij overlegde telefonisch met de huisarts en bezocht 's avonds de patiënt.

In het eerste geval kon hij niet meer praten met de patiënt zelf. De man lag in coma, maar had eerder schriftelijk aangegeven dat hij euthanasie wilde als hij veel pijn leed. Hij verbleef thuis bij zijn familie, en die had de huisarts gevraagd er een eind aan te maken. Zo was het immers afgesproken. De huisarts zag echter geen aanleiding voor euthanasie, omdat de man geen pijn had. Hij vroeg Stolk om een bevestiging van dat oordeel. ,,Ik heb de familie uitgelegd dat er op zo'n moment niet aan euthanasie wordt gedaan'', zegt Stolk. ,,Ze zagen mij als autoriteit. Toen ik het uitlegde, begrepen ze het.'' Familie die denkt te kunnen bepalen wanneer het moment is aangebroken, is volgens Van Wijlick een steeds vaker voorkomend probleem. ,,Mensen denken dat ze recht hebben op euthanasie.'' Stolk: ,,Maar het is een proces tussen huisarts en patiënt. Die moeten er beiden aan toe zijn. Wij zijn opgeleid om te helpen en te begeleiden. Niet om iemand weg te spuiten.'' De patiënt in kwestie overleed een dag later.

Laat een SCEN-consulent zich zo niet te veel door een andere huisarts gebruiken? Stolk vindt van niet. ,,Soms is mijn advies aan de arts: er is nog niet voldaan aan alle zorgvuldigheidseisen. Soms gaat het de kant op van de familie en zeg ik: de arts doet het goed, de patiënt is er nog niet aan toe.'' Van Wijlick: ,,Je kiest geen partij, je toetst iets.'' Stolk: ,,We worden niet ingehuurd om collega's te steunen. Het kan ook zijn dat je zegt: geen euthanasie, het is nog te vroeg, er zijn palliatieve middelen die nog niet zijn geprobeerd.''

Ook in het tweede geval waarmee Stolk als consulent te maken kreeg, kwam het niet tot euthanasie. ,,Een collega belde dat een patiënt euthanasie wilde. Hij was nog niet terminaal, maar zou wel doodgaan. Ik ben eerst nagegaan of hij echt `uitbehandeld' was, door de specialistenbrieven in het dossier te lezen. Daarna heb ik gepraat met hem en zijn vrouw. Het was een man van weinig woorden, maar met duidelijke meningen. Hij zei: als ik erg veel pijn heb, als ik alleen nog maar lig te vegeteren, dan wil ik dat je me helpt.''

Stolk sprak ongeveer anderhalf uur met de man en zijn vrouw. Eigenlijk is het beter als de arts de patiënt onder vier ogen spreekt, merkt Van Wijlick op. Stolk: ,,In dit geval vond ik juist de communicatie tussen die twee belangrijk. Hij twijfelde of zij de zorg nog wel aan kon. Dat was een reden dat hij nadacht over euthanasie. Zij zei tijdens het gesprek dat ze hem zo lang mogelijk bij zich wilde hebben.''

Stolk stelde vast dat nog geen sprake was van ondraaglijk lijden. In zijn verslag voor de andere arts schreef hij dat euthanasie daarom nog niet aan de orde was. Enkele maanden later overleed de man spontaan.

In zijn eigen praktijk krijgt Stolk weinig te maken met euthanasie, omdat die is gelegen in een nieuwbouwwijk. Toch maakte hij een keer de worsteling mee van een patiënt die euthanasie wilde terwijl hij zelf nog niet bereid was die te geven. De onzekerheid die hij toen ervaarde, was voor hem de reden zich aan te melden als SCEN-arts. ,,Die man was bankdirecteur. Hij was terminaal en zou doodgaan. Hij had tijdig en duurzaam aangegeven dat hij niet tot het einde toe wilde lijden. Op een gegeven moment gaf hij aan dat het genoeg was. Het was voor hem zo'n ontluistering dat hij verzorgd moest worden, dat wilde hij niet meer.''

,,Ik heb hem gezegd dat ik er nog niet aan toe was. Daar had hij wel begrip voor. In de weken erna ging het steeds slechter. Toen zijn we samen er naartoe gegroeid. Zijn vrouw wilde hem graag verzorgen, zijn kinderen ook. Hij is van zijn trots afgestapt. Achteraf was hij blij dat hij die twee maanden nog heeft geleefd.''