Echt en niet echt

Toen cultuurfilosoof Marshall McLuhan in de jaren zestig zijn beroemd geworden uitspraak ,,the medium is the message'' deed, kon hij niet weten hoe de media zich nog verder zouden ontwikkelen tot voorbij de televisie. (En hij kon ook niet weten dat kinderen van vijf nu dankzij de televisie en Pokémon als zij willen vertellen over het veranderen van het ene wezen in het andere het begrip `evolueren' in de mond nemen, als hadden zij het over Pim die een broertje heeft gekregen.) Het prille begin van de opmars van de computer als huisapparaat heeft hij nog meegemaakt, maar de virtuele wereld van het wereldwijde web en de interactieve computerspelen niet.

McLuan deed zijn uitspraak in een tijd dat de televisie tot de alomtegenwoordige en vanzelfsprekende huishoudelijke apparaten begon te horen. Velen maakten zich daar zorgen over, omdat het passieve kijken zonder appèl op fantasie en voorstellingsvermogen zou leiden tot denkluiheid. McLuan stelde daar tegenover dat elk medium op eigen wijze bijdraagt aan de menselijke communicatie en men er niet ten onrechte van moet uitgaan dat cognitie volledig samenvalt met het geletterd zijn.

Dus met één specifieke technologie: het gedrukte woord. Volgens hem is het waarschijnlijker dat ieder medium naar zijn aard voedsel kan geven aan het menselijk brein. De uitvinding van de boekdrukkunst was geen eindstation.

Aan die eigen geaardheid van de media zag hij twee kanten.

De aard van het medium stelt specifieke eisen om de boodschap optimaal te doen overkomen. Toen de menselijke spraak zich ontwikkelde werden eigenschappen van de stem belangrijk voor communicatie, de luidheid en articulatie ervan. Toen meer en meer mensen geletterd werden en konden lezen, werden voor schrijvers diverse cognitieve eigenschappen vereist: gedachten en ideeën zodanig in heldere woorden kunnen vangen dat de ontvangende lezers zonder eventuele nadere toelichting – zoals bij mondelinge communicatie wel mogelijk is – er hun eigen beelden en gedachten bij konden krijgen. Makers van film en televisie moeten hun gedachten en ideeën omzetten in frapperende beelden.

Hoe beter de zender aan de voorwaarden van het medium voldoet, des te makkelijker de boodschap overkomt. Zelfs zo dat het belang van de inhoud er minder toe doet. Iets onbenulligs naar de eisen van het medium gebracht, komt beter over dan iets essentieels dat met niet bij het medium passende middelen wordt overgedragen. Gedenk Big Brother.

Anderzijds wordt bij de ontvanger steeds een ander vermogen aangesproken.

Aanvankelijk dus het gehoor. Daarna bij het lezen het creatieve denken. Film activeert het visuele domein. Er gebeuren op diverse plaatsen op het scherm verschillende dingen tegelijk. Iets dat bijvoorbeeld bij een beschrijving niet mogelijk is, want hoe kort de eventueel toegepaste telegramstijl ook is, gebeurtenissen kunnen altijd pas na elkaar worden beschreven. Sequentie tegenover simultaneïteit. Samen met de continue beeldwisselingen wordt bij de kijker een appèl gedaan op snelle visuele waarneming.

Hierop verdergaand kan men zich voorstellen dat het denken en beleven van mensen ook gaat staan naar het medium waarmee zij het meest worden geconfronteerd.

De ervaring met het overheersende medium beïnvloedt de kijk op het bestaan.

Bijvoorbeeld: sinds mensenheugenis is identiteit verbonden met bepaald bezit. Bij een functie, een rol, een plaats in de samenleving hoorden eigendommen. En mensen hebben altijd bezit nagestreefd om een bepaalde identiteit en bijbehorende eigenwaarde te veroveren. Dat is op zichzelf niets nieuws. Maar het is waarschijnlijk wel zo dat die neiging versterkt wordt door de aanhoudend op televisie en film vertoonde fictie. Het karakter van personages in een boek wordt weliswaar opgebouwd uit beschrijvingen van wat zij doen, maar veel meer uit datgene wat zij innerlijk bij zichzelf overleggen. Dat laatste ontbreekt op het scherm. Daar zien we vooral het uiterlijk: wat de personages doen en zeggen. En om hen snel `neer te zetten' worden zij bovendien omringd met voor hen typerende attributen. De reclame is op dit verschijnsel ingesprongen en heeft lifestyle tot een begrip gemaakt. Als ik ... wil zijn, moet ik ... hebben. Die auto, dat horloge, zo'n shampoo, zulk bier.

En toen kwamen de interactieve media, met behulp waarvan men zich een eigen virtuele wereld kan scheppen. Net echt. We hoeven niet naar het Louvre, je kunt er ook rondlopen op het scherm. We kunnen met de muis om de Venus van Milo heen gaan en details bekijken. En blijkens een recente radiodiscussie zijn bordeelhouders bang klanten kwijt te raken door de toenemende mogelijkheid van virtueel seksgerief voor het interactieve beeldscherm, waarop gewillig op ieder verlangen wordt ingegaan. En het kan niet anders dan dat die schijn van werkelijkheid invloed heeft op wat ervaren wordt als verschil tussen echt en niet echt. Misschien vervaagt dat verschil zelfs en wordt het voogrote groepen mensen wel steeds minder belangrijk.

De illusie onder bereik is sterker dan de werkelijkheid die moeite kost en duurder is.

Zou het kunnen zijn dat daar de basis ligt van wat de `beleveniseconomie' wordt genoemd. Joseph Pine heeft er een boek over geschreven en werd voor deze krant geïnterviewd. De consument wil niet zonder meer iets kopen, ergens eten of objecten in een museum bekijken. Hij wil in een sfeer worden gebracht, een omgeving ondergaan.

Daarom moeten verkopers, restaurateurs en conservators een totaalconcept aanbieden, waarmee zij een entourage ensceneren die de bezoekers in de waan brengt iets `authentieks' mee te maken. Dat het niet echt is, is niet erg. Dat is men van de virtuele wereld al gewend. In een kamer van het meubelpaleis moet men zich kunnen wanen in een Hollywood-bungalow, in het restaurant in een Griekse haventaverne, en in het museum loop je rond in het binnenste van een piramide.

Dat heeft McLuan niet kunnen voorzien, maar het sluit wel naadloos aan bij zijn theorie: the concept is the message.

    • Rita Kohnstamm