Broos `bestand' in beurs gebeukt Atjeh

De Indonesische regering en de separatistische beweging Vrij Atjeh willen niet voor elkaar onderdoen in de strijd om de volksgunst in oorlogsmoe Atjeh. Daarom sloten ze gisteren een accoord dat geen bestand mag heten.

Een `humanitaire pauze'. Op deze wat krachteloze formulering konden de Indonesische regering en het kabinet in ballingschap van de separatistische beweging Vrij Atjeh (GAM) elkaar vinden. Gisteren tekenden de Indonesische ambassadeur bij de VN in Genève, Hasan Wirajuda, en de `minister van Volksgezondheid' van de GAM, Zaini Abdullah, een overeenkomst van wederzijdse terughoudendheid. Een staakt-het-vuren mag het akkoord niet heten, want dat zou betekenen dat Jakarta de GAM erkent, en dat is niet het geval. En Jakarta, liet de GAM weten, moet niet denken dat ze haar strijd voor een onafhankelijk Atjeh staakt, want dat doet ze niet. De Indonesische strijdkrachten zullen het bestand-dat-niet-zo-mag-heten respecteren, maar er wordt geen soldaat of politieman teruggetrokken uit Atjeh.

Het document dat gisteren werd verwelkomd als een eerste stap naar beëindiging van het geweld in Atjeh, dat dit jaar al aan 400 mensen het leven kostte, werd al na enkele uren omhangen met een loodzware ketting van voorbehouden. Het gaat overigens pas op 2 juni in, als het tijdens eindeloze gesprekken in Genève opgebouwde beetje vertrouwen intussen standhoudt.

Atjeh is op dit moment de onveiligste provincie van Indonesië. Er gaat geen week voorbij zonder doden; soldaten en politiemannen lopen in hinderlagen van `niet-geidentificeerde gewapende burgers' of sneuvelen bij een granaataanval op hun posten. Dorpelingen worden met doorgesneden keel aangetroffen in een greppel of ravijn of komen om in hun huizen als die worden platgebrand door leden van de Mobiele Brigade, die hun woede koelen na een zoveelste sluipmoord op hun kameraden. De steeds ondoorzichtiger gewapende strijd in Atjeh is een vuile oorlog zonder duidelijke fronten.

De Atjehers zijn al dat geweld beu, niet in de laatste plaats de afrekeningen door losgeslagen strijdgroepjes van de GAM. Sinds de regering van ex-president Habibie Atjeh's status als `militair operatieterrein' vorig jaar introk en de niet tot het provinciale garnizoen behorende gevechtseenheden werden teruggetrokken, begon de GAM – in naam van een `vrij Atjeh' – een terreurbewind in de aldus ontruimde dorpen. Dorpelingen werden afgeperst en in juni vorig jaar uit hun huizen verdreven om de verkiezingen onmogelijk te maken. Wie werd gezien in het gezelschap van een soldaat of politieman, riskeerde letterlijk zijn hals. Het plaatselijk bestuur werd lamgelegd, dorpshoofden werden gedwongen hun kantoren te sluiten. Anarchie regeert.

De regering-Wahid besloot militairen te vervangen door speciale politietroepen van de Mobiele Brigade. Onder druk van dit nieuwe offensief is het GAM-leger gedesintegreerd. GAM-commandant Abdullah Syafei mag zich dan hebben uitgesproken voor het `bestand', het is de vraag of hij nog zeggenschap heeft over de plaatselijke roverhoofdlieden die zich verschuilen achter de zaak van een `vrij Atjeh' om hun zakken te kunnen vullen bij plaatselijke winkeliers. Het gaat om kleine gangsters en randgroepjongeren die geen belang hebben bij `vrede'. Want in deze oorlog is alles geoorloofd en zolang de chaos regeert, kunnen ze ontsnappen aan de wraak van de Atjehers.

De `humanitaire pauze' werd gisteren overeengekomen omdat de regering-Wahid en de GAM - voor zover die nog bestaat - niet voor elkaar willen onderdoen in de strijd om de volksgunst in het beurs gebeukte Atjeh. Beide partijen beseffen dat meer geweld de Atjehers alleen maar kan vervreemden, zowel van de eenheidsstaat als van een `Vrij Atjeh'. In die oorlogsmoeheid ligt de enige kans op vrede.