Boerendochter wordt boerin

Een boerengezin is niet alleen een gezin, maar ook een bedrijf. Monique Veraart (30), voorzitter van het Nederlands Agrarisch Jongeren Kontakt, is behalve de dochter, nu ook de naaste collega van haar vader op hun akkerbouw- bedrijf.

Vroeger was ik echt een meisje. Mijn moeder betrok me bij het huishouden en mijn broer Robbert ging met mijn vader mee naar buiten. Maar al van kinds af aan liet ik merken: ik wil mee naar buiten!

,,Ik ben geboren op onze boerderij in De Heen, op de grens van Zeeland en Brabant. Daar was mijn overgrootvader begonnen met vijftig hectare. Dat is gesplitst in 25 hectare voor mijn opa en 25 hectare voor zijn broer. We telen afwisselend aardappels, suikerbieten, granen, graszaad, blauwmaanzaad, witlofwortelen.

,,Ik wilde mee naar buiten, dat wel, maar toch wilde ik als kind nooit geen boer worden. Nooit vakantie, altijd met het bedrijf rekening houden, en er is altijd wat: ziekte, droogte, lage prijzen. Daarom ben ik na de middelbare school een opleiding gaan doen als activiteitenbegeleidster. Dat was niks voor mij. Ik was lichamelijk werk gewend, daar word je lekker moe van, maar dit was de hele dag koffiedrinken en kletsen. Ik was 's avonds kapot zonder dat ik iets had gedaan. Het werd dus toch de Middelbare Agrarische School. De eerste dag wist ik gelijk: dit is het.

,,Mijn broer was eigenlijk in de wieg gelegd voor opvolger. Hij vond machines leuk, tractors en computers, maar gewassen niet zo. Het verwisselen van de rollen ging vrij automatisch. Hij voelde zich niet door mij bedreigd, eerder bevrijd denk ik. Hij had geen boerenhart. Nu werkt hij in de computers. Mijn vader had er in het begin een beetje moeite mee, maar hij zag dat ik veel meer interesse had voor het boerenbedrijf dan Robbert en dat heeft hij geaccepteerd. Ik heb nooit het gevoel gehad dat mij als boer niet accepteerde omdat ik een meisje was. Hij is blij dat hij een opvolger heeft, en één die van het werk houdt.

,,Tussen 1991 en 1995 heb ik gestudeerd aan de Agrarische Hogeschool in Den Bosch. We woonden met z'n vijftienen in een groot herenhuis, heel erg leuk was dat. Die vijf jaar zullen vermoedelijk mijn enige echte stadsjaren zijn geweest.

,,Bijna niemand, zeg maar gerust niemand gaat daarna weer thuis wonen. Ik zag er tegenop, ik dacht: ik word weer automatisch kind, nu gaan ze weer zeggen dat je je rommel moet opruimen. Ik heb het ook alleen gedaan omdat ik op den duur het bedrijf wil overnemen. Nu woon ik 's zomers bij mijn vriend Koos op zijn melkveehouderij in Kamerik, in het Groene Hart, en 's winters in De Heen. Kamerik is thuis omdat Koos daar is, maar De Heen, dat is thuis thuis.

,,Toen ik klaar was met de Hogeschool was de situatie inmiddels veranderd. In 1994 waren mijn ouders gescheiden – mijn moeder is weggegaan en in de stad gaan wonen. De scheiding maakte het zowel moeilijker als makkelijker om terug te gaan. Moeilijker omdat het natuurlijk allemaal pijnlijk en onwennig was, maar ook makkelijker omdat zowel de omstandigheden als ik anders waren.

,,Ik heb meteen duidelijk gesteld dat ik níet de taken van mijn moeder ging overnemen, ook niet voor mijn broer die op kamers woonde en met grote tassen vol vuile was thuiskwam. Mijn vader doet nu grotendeels het huishouden, en was duidelijk blij dat hij de ruimte kreeg om het allemaal zelf te bedenken. Hij blijkt veel praktisch inzicht te hebben. Andersom had hij het op het bedrijf soms moeilijk met mij, je hebt toch gewoon zo je manieren om dingen te doen. Dan stond hij te kijken hoe ik iets deed, hij zei niks maar ik voelde hem kijken. Ik weet nog dat ik in de schuur met de trekker achteruit moest om een machine eraan te koppelen. Per ongeluk draaide ik met één van de banden tegen de ijzeren pin waarmee je de deuren van de schuur vastmaakt. Niet goed voor de band natuurlijk, maar nou ook niet zo'n ramp. Hij begon er wat van te zeggen, maar haalde toen z'n schouders op en zei: `ach, wat maakt het uit'. Dat was een doorbraak.

,,Laatst was hij met een vriend mee, ook een boer, naar Zuid-Frankrijk om aadrappelen- en bonenpercelen te bekijken. Het was net in de tijd dat bij ons de suikerbieten gespoten moesten worden. Dat is een nogal precies werkje dat ik niet zo vaak had gedaan. Hij heeft me alles uitgelegd en is gewoon gegaan.

,,Mijn vader is van de generatie boeren die na de oorlog vooral gericht was op het produceren van voedsel. Ik weet weer meer van nieuwe wet- en regelgeving, van de mineralenboekhouding, van de nieuwe inzichten. Ik zie de landbouw niet alleen als producent van voedsel, maar ook van landschap, natuur, schoon water, zuurstof. Dat vond hij eerst erg idealistisch, al die verlangens van de samenleving ervoer hij als een enorme belemmering voor het bedrijf. Ik zie ze als een vraag waaraan wij kunnen voldoen. Voor een akkerbouwbedrijf is 25 hectare ook niet veel hoor, ik móet wel creatieve ondernemer zijn.

,,Af en toe zegt mijn vader: `Monique, zoek nou toch eens een baan. Je hebt aanleg voor bestuurswerk'. Dan zeg ik: pa, dit is het beroep waarin ik gelukkig ben.''

Hoe is het om de verhouding tussen ouder en kind om te zetten in die van gelijkwaardige collega's? Stuur uw reactie naar email-adres zok@nrc.nl of naar NRC Handelsblad, Zaterdags Bijvoegsel, Ouder & kind, Postbus 8987, 3009 TH Rotterdam. Die moet donderdagochtend in ons bezit zijn.

    • Tracy Metz