Besturen op z'n Amsterdams: politiek beheer zonder politiek

Amsterdam wordt pragmatisch bestuurd door wethouders die hun ambities niet aan de grote klok hangen. Toch is het binnenskamers onrustig.

Elke morgen tussen acht en negen uur fietst Frank Köhler langs de Amstel. Hij trapt stevig door. Bij nummer 1 rijdt hij linksaf naar beneden de stalling van het stadhuis in. Bijna altijd zijn de fietstassen aan zijn bagagedrager zwaar beladen: met de stukken die hij naar zijn huis aan het Krügerplein in Amsterdam-Oost heeft meegenomen. Köhler (1953) is sinds twee jaar wethouder verkeer & vervoer en verantwoordelijk voor het taxibeleid in Amsterdam. Hij is tevens lokaal leider van GroenLinks, een partij die het terugdringen van de auto tot een hoofdpunt van haar bestaan heeft gemaakt.

Taxi en GroenLinks: dat lijken op het eerste gezicht onverenigbare grootheden. Eén van zijn voorgangers, de PvdA'er Michael van der Vlis, verkeerde tot zijn vertrek in 1990 zelfs op voet van oorlog met de hoofdstedelijke taxicentrale TCA. Als Van der Vlis thuis op de Ruysdaelkade een taxi bestelde, kon hij er gevoegelijk van uit gaan dat er geen kwam uit woede over diens autobeleid.

Bij Köhler is de tegenstelling echter meer schijn dan werkelijkheid. Partij, persoon en portefeuille sporen namelijk heel redelijk. Köhler is van oudsher weliswaar geen automobilist noch vrije jongen. Maar als ex-bestuurder van de, inmiddels opgeheven, Vereniging van dienstplichtige militairen (VVDM) en de FNV-Vervoersbond heeft hij sympathie voor de vakbeweging en zo ook sympathie voor andere vormen van specifieke belangenbehartiging.

De wijze waarop hij met de liberalisering van de taxibranche omspringt, heeft bovendien wortels in een Amsterdamse traditie. De stad heeft zijn eigen corporatisme. Zo is het Gemeentelijk Vervoerbedrijf (GVB) decennia lang beheerst door `vrijgestelde' vakbondsleden, die op hun beurt weer door de CPN werden geïnspireerd. En toen de krakers de stad ruim twintig jaar geleden in hun greep leken te krijgen, ging het gemeentebestuur deze dreiging op vergelijkbare cliëntelistische manier te lijf: talloze bezette panden werden opgekocht en verbouwd, waarna de lont in het potentiële kruitvat onschadelijk kon worden gemaakt.

Zelfs de openbare orde in Amsterdam wordt eigenzinnig bewaakt. Een kwart eeuw geleden deed al de serieuze grap de ronde dat er in Nederland niet twee maar drie soorten politie waren: rijkspolitie, gemeentepolitie en Amsterdamse politie. Daarin is sindsdien weinig veranderd. Nadat in 1994 de IRT-affaire in losbarstte, beschermde hoofdcommissaris Nordholt zijn zorgvuldig opgebouwde band met de hoofdstedelijke politiebonden nauwgezet en bleek uiteindelijk weer eens de kracht van dit systeem.

Dat gevoel domineert eveneens nu het om het taxibeleid gaat. Terwijl elders in Nederland de deregulering van de branche, vooruitlopend op de wettelijke liberalisering, al in volle gang was, bleef in Amsterdam alles bij het oude. Wethouder Köhler heeft, toen de `taxioorlog' wegens de ontmanteling van het monopolie van TCA vier maanden geleden begon, niet voor niets betoogd dat de problemen door Den Haag waren veroorzaakt en dat ze daar dus zouden moeten worden opgelost. Dat is een klassieke linkse reflex op het stadhuis. Ook als de vraag aan de orde is of Amsterdam niet wat infrastructurele projecten zou kunnen voorfinancieren in afwachting van subsidie (bijvoorbeeld geluidswallen langs de rijkswegen die door de stad lopen) is de reactie van PvdA en GroenLinks dat eerst Den Haag over de brug moet komen.

Paradoxaal genoeg zijn de tegenkrachten zelfs zwakker dan ooit. Sinds twee jaar wordt Amsterdam bestuurd door een `regenboogcoalitie' van PvdA, VVD, GroenLinks en D66 die 35 van de 45 zetels in de raad heeft. Om dit college mogelijk te maken is indertijd zelfs het aantal wethouders met één stoel uitgebreid. Vanaf 1998 ontbeert Amsterdam een oppositie op het stadhuis. Het CDA, geleid door de retorisch sterke maar politiek allerminst kwaadaardige theoloog Gerrit Goedhart, is met drie man te zwak om in te breken in de regenboog. De SP is het vertrek van fractieleider Harry van Bommel naar de Tweede Kamer nog niet te boven gekomen. En de trojka van Groenen/Amsterdam Anders is, als bundeling van ecologen en trotskisten, te heterogeen.

De fracties van de collegepartijen op hun beurt worden geleid door politici die niet zijn opgewassen tegen hun geestverwanten in het dagelijks bestuur. Bovendien heeft Amsterdam in financieel opzicht het tij mee. De stad, waar een appartement in de grachtengordel al bijna tienduizend gulden per vierkante meter kost en kantoorruimte navenant geliefd is, is niet meer armlastig.

De politieke en bestuurlijke meningsverschillen gaan derhalve niet over schaarse middelen en worden ook nog eens grotendeels binnen het college uitgevochten. Dat nu is wel een breuk met het verleden. In de tijd van Han Lammers, Jan Schaefer en ook Walter Etty (1970-1990) was de VVD van Arie Pais, Huub Jacobse, Frank de Grave en Annelize van der Stoel een groeiend alternatief in de oppositie. Daarna werd deze rol vervuld door GroenLinks. Nu wordt Amsterdam, dat sinds de jaren zeventig bekend stond als een gepolitiseerde gemeente, pragmatisch bestuurd door wethouders die hun ambities niet aan de grote klok hangen. Volgens burgemeester Patijn is dat een natuurlijke toestand.

De consequenties van dit politieke beheer zonder politiek beginnen zich niettemin te manifesteren. De langdurige afwezigheid van de burgemeester vorig jaar heeft dit proces gekatalyseerd. Eerst raakte wethouder Groen (VVD) in conflict met gemeentesecretaris Sint (PvdA) en vervolgens met zijn eigen partij. Toen Groen was vervangen door de liberale fractieleider Dales, kreeg Patijn subtiele kritiek nadat hij in Het Parool kanttekeningen had geplaatst bij de wijze waarop het college was geleid tijdens zijn ziekte. Ruim een week geleden opende de VVD vervolgens een aanval op diens loco uit de PvdA, wethouder Jaap van der Aa die volgens de liberalen de problemen in het onderwijs te veel op hun beloop laat en voor oplossing te vaak naar de verantwoordelijke deelraden wijst. Binnenskamers is ondertussen de strijdbijl om de opvolging van Patijn opgegraven. De VVD laat geen gelegenheid onbenut om staatssecretaris Cohen van Justitie aan te prijzen.

Het is in Amsterdam dus niet alleen rond de gele taxistandplaatsen onrustig. Zonder het te weten hebben de rebellerende en soms gewelddadige taxichauffeurs het mes gezet in een ogenschijnlijk vlekkeloos en harmonieus stadsbestuur.

    • Hubert Smeets