Zwagermans snoeppot

Een boek met de titel `pornotheek' wekt directe een koortsige nieuwsgierigheid op. Pornotheek Arcadië blijkt tot mijn verbazing een essaybundel, jawel, met een essay daarin over pornografie. Anders dan met Gimmick!, de snelle zoned-out roman waarin voortdurend stuifmeelfijne cocaïne neerdwarrelt en de XTC-tabletten uit de colbertzakjes van masculien brullende yuppen rollen, sla ik het boek niet direct vol afgrijzen weer dicht, maar blijf er aan één stuk door in lezen en raak meteen verknocht aan het boek. Na de eerste lezing wil ik direct dolgraag iets over Zwagermans bundel schrijven, echter zonder mijn enthousiasme van de daken te schreeuwen. Voor je het weet werkt je geestdrift averechts en smoor je met allerlei loeiende aanprijzingen iedere mogelijke nieuwsgierigheid bij de lezer. Maar het is in alle opzichten een droomboek: strak van vorm, scherp van toon en vooral heel grappig.

Geen van de hierboven geschreven zinnen heb ik zelf bedacht. Ze zijn allemaal in essentie afkomstig uit Zwagermans nieuwste essaybundel, Pornotheek Arcadië. Ik verving `Alain de Botton' en `Essays in Love' door `Zwagerman' en `Pornotheek Arcadië', plukte nog een zinnetje uit het essay over Bret Easton Ellis, en hup, klaar recensie. Ik heb geknipt, geplakt, groot gegapt, recycled, gekopieerd, intertekstueel geflirt, geciteerd, geannexeerd, geplagieerd, gegrabbeld uit de wereld van het woord, postmodern gedaan, geoefend voor literaire gauwdief. Ik heb even voor Joost Zwagerman gespeeld, de man van de overproductie, veelzijdigheid (hij schrijft gedichten, romans, verhalen, essays, columns en is als commentator vaak te gast in het televisieprogramma Barend en Van Dorp) en bovenal: meester van de parodie en de pastiche. In zijn columns in de Volkskrant imiteerde hij onder meer Marjet van Zuylens apotheekproza en de druipend dramatische Wim Kayzer-retoriek door middel van een eigen geschreven aflevering van het VPRO-programma Van de Schoonheid en de Troost. In Pornotheek Arcadië spreekt hij zijn bewondering uit voor zijn leermeester, William Burroughs, die de volgende cut-up en fold-in methode bedacht:

Neem een krant

Neem een schaar

Kies een artikel met de beoogde lengte van het gedicht

Knip het artikel uit.

Goed stelen is geen schande, maar een serieuze tak van literaire sportbeoefening. Sterker nog, aan goed schrijven gaat vaak goed stelen vooraf, stelt Zwagerman meerdere malen in zijn bundel. Hij citeert Harold Bloom: `Alleen kleine talenten zijn benauwd voor beïnvloeding; grote talenten raken er juist door gestimuleerd.' Als voorbeeld voert hij Arnon Grunberg op, die zijn mosterd haalt bij de verguisde schrijver Herman Brusselmans. In Bloemen op mijn graf schrijft de laatste over gehijg na een hitsige vrijpartij: `We rolden van elkaar af en hijgden, als mensen die net van elkaar zijn afgerold'. Wie wel eens iets van Grunberg heeft gelezen, herkent ogenblikkelijk deze stijlfiguur, door Zwagerman `anti-metafoor' genoemd. In Pornotheek Arcadië bundelde Zwagerman de essays over literatuur die hij het afgelopen jaar schreef; het merendeel betreft bewerkingen van de lezingen die hij ter gelegenheid van zijn gastschrijverschap in Groningen gaf en die hij eerder publiceerde in de Volkskrant, Vrij Nederland, NRC Handelsblad en De Gids. De bundel bestaat uit drie delen, `Americana', over onder andere de Amerikaanse schrijvers William Burroughs, Philip Roth, John Updike, Norman Mailer, en Bret Easton Ellis, `Halte Albion' over onder andere Martin Amis, Will Self en Alain de Botton, en tot slot `Afslag Nederland', over Zwagermans fascinatie voor pornografie en de affaire Brusselmans.

Schrijverslevens

Anders dan bijvoorbeeld Xandra Schutte en Cyrille Offermans, die in hun essayistische werk over literatuur vooral de aandacht richten op analyse en interpretatie van het werk van de schrijvers, is Zwagerman geïnteresseerd in de omstreden schrijverslevens en de vraag waarom bepaalde boeken zoveel stof doen opwaaien. De schrijvers waarover hij schrijft worden verguisd of bejubeld, veracht of aanbeden. Soms kiest Zwagerman uitdrukkelijk partij, zoals bijvoorbeeld voor Bret Easton Ellis, bekend van American Psycho, die volgens hem ten onrechte door de kritiek is neergesabeld. De essays hebben lang niet altijd een duidelijke pointe: het zijn eerder amusante schrijversportretten. Zwagerman is een soepele stilist die de soaphonger van de lezer stilt door een grote snoeppot voor te schotelen met smakelijke schrijversanekdotes. De eenheid van de bundel wordt gevormd door typische Zwagermanobsessies: schrijvers die schrijven over seks, drugs en rock & roll, vaak op het randje van de goede smaak, schrijven als een vorm van goed stelen, en mannen.

Mannen? Ja. Zwagerman heeft iets met mannen. Zijn helden zijn, met uitzondering van Jean-Michel Basquiat, typische WHASPs, White Heterosexual Anglo-Sackson Protestants, van het type: hoe ver kan ik gaan? De vergelijking die zich op dit punt opdringt is met een andere bundel die onlangs verscheen en ook handelt over Amerikaanse literatuur: Graa Boomsma's Adam in Amerika (Prometheus, 272 blz. ƒ31,95). Dat is een heel ander literair Amerika, met meer postmoderne schrijvers als Don DeLillo en Thomas Pynchon. Anders dan Zwagerman heeft Boomsma zijn blikveld iets verruimd en gezien dat Amerikaanse literatuur ook belangrijke schrijfsters kent; hij wijdt essays aan Cynthia Ozick en Toni Morrison. Puntje voor Boomsma dus, maar gezegd moet worden dat zijn bundel stilistisch gezien totaal verbleekt bij die van Zwagerman.

Kritiek op Zwagerman? Een enkele keer vroeg ik mij af: zijn dit Zwagermans eigen woorden of heeft hij `goed geleend'? Wanneer Zwagerman bijvoorbeeld Michael Bracewells England is mine bespreekt in zijn essay over Engelse versus Amerikaanse popmuziek, gepersonifieerd door David Bowie, de `geparfurmeerde salonrebel' versus Bruce Springsteen, `poète maudit', schrijft hij de volgende prikkelende one-liner: `Springsteen is een indiaan die filosoof wil zijn; Bowie is een filosoof die indiaan wil zijn'. Als lezer weet je het niet zeker: is deze vondst van Bracewell of van Zwagerman? Bronnen noemt Zwagerman niet. Wat heeft hij gelezen bij anderen en zelf mooier opgeschreven? Maar het `goed lenen' zij hem vergeven: hij heeft immers overtuigend betoogd dat stelen noodzakelijk is voor iedere schrijver.

Zeer onderhoudend is in dit verband het essay over de merkwaardige ervaring die Zwagerman had toen hij Essays on Love van Alain de Botton onder ogen kreeg. Hij schrok. Dit boek leek sprekend op zijn eigen De houdgreep! Hij had het gevoel een boek van hemzelf te lezen. Geestig is vervolgens Zwagermans reactie: een complete adoratie van De Bottons oeuvre. Zelfverheerlijkende liefde kan Zwagerman beslist niet ontzegd worden.

Leesgenot

Net als zijn eerdere essaybundels, In het Wild, De Kus van Michael Jackson en Collega's van God, biedt Pornotheek Arcadië veel leesgenot. Of, om het in de stijl van Zwagerman te formuleren: `Op 27 april 2000 verscheen Pornotheek Arcadië van Joost Zwagerman. Tegenstanders van Zwagerman zagen in hem een luidruchtig provocateur en middelmatig schrijver zonder enig gevoel voor humor, die altijd al wilde scoren. Zij wezen op enkele incidenten. Zo had Zwagerman zichzelf in het begin van zijn schrijverscarrière uitgenodigd in Sonja Barends televisieprogramma, die het niet na kon laten om te vragen of deze onbescheiden actie niet veel weg had van een overweldigend staaltje masculien geloei. Zwagerman trok zich de kritiek zichtbaar aan: hij keek ongelukkig de camera in en plukte nerveus aan zijn bril – model Elvis Costello. Daarna zou hij zich echter schaamteloos uitleveren aan een grote Nederlandse verzekeringsmaatschappij, onder het mom `reclame is ook kunst' en zijn carrière vervolgen middels duo-optredens met een collega die hem niet was afgevallen: Ronald Giphart, door Trouw-recensent Tom van Deel ooit laconiek getypeerd als `jeugdboekenschrijver'. Met Pornotheek Arcadië zou Zwagermans grote talent eindelijk alom erkend worden, ja, hij zou zelfs door de kwaliteitskrant NRC Handelsblad een van de best schrijvende essayisten van Nederland van dit moment genoemd worden.'

Joost Zwagerman: Pornotheek Arcadië. De Arbeiderspers, 307 blz. ƒ36,90

Nederlandse literatuur

    • Stine Jensen