Rusland en Europa...

HOGERE DIPLOMATIE. Dat is een niveau te hoog voor de Tweede Kamer. Verpakt in apaiserende formuleringen was dat de boodschap die minister Van Aartsen (Buitenlandse Zaken) gisteren uit Straatsburg had meegenomen. Natuurlijk deelt de bewindsman de zorgen van de volksvertegenwoordigers over het gewelddadige Russische optreden in Tsjetsjenië. Maar dat maakt uitvoering van een breed gedragen Kamermotie waarin strafmaatregelen tegen Rusland worden geëist, voor Van Aartsen nog niet opportuun. In de Raad van Europa, en daarmee in de Europese Unie, zou hij alleen hebben gestaan wanneer hij, naar de wens van de Kamer, schorsing van Rusland als lidstaat van de Raad of zelfs maar het indienen van een statenklacht bij het Kremlin had voorgesteld.

De minister had de motie dan ook naast zich neergelegd, een besluit overigens dat hij een dag eerder, tijdens een debat waarin de motie werd aanvaard, verzuimd had in de Kamer aan te kondigen. Dat laatste vooral wordt hem kwalijk genomen, maar de bewindsman stelt koeltjes vast dat niemand hem had gevraagd wat hij van plan was te doen. Van Aartsen tracht de indruk te wekken dat de Kamer dit niet uit naïveteit heeft nagelaten en dat een goeie verstaander, hijzelf, aan minder dan een half woord genoeg heeft. De Kamer heeft inderdaad vooralsnog de schijn tegen.

WAAR GAAT HET OM? Natuurlijk gaat het er in de eerste plaats om een lidstaat van de Raad tot de orde te roepen die, in Tsjetsjenië, zo ongeveer alle rechtsregels, ter handhaving waarvan de Raad in het leven is geroepen, heeft geschonden. De geloofwaardigheid van de Raad is daarmee in het geding, zoals de Raadgevende Vergadering van de Raad van Europa, een parlementair forum, al eerder vaststelde. Maar er staat meer op het spel. De toetreding van Rusland tot de Raad in 1996 is voorbarig gebleken. Rusland was toen, en is nu, allesbehalve een bastion van de normen en waarden die de Raad geacht wordt te beschermen en te handhaven en die omgekeerd de existentie van de Raad rechtvaardigen. Dat had al in het jaar van toetreding duidelijk kunnen zijn, maar regeringen en parlementen verkeerden nog in de euforie van de eerste jaren na het einde van de Koude Oorlog. Nu is de Raad zelf door het Russische lidmaatschap bezig ,,te verwateren'', zoals Van Aartsens voorgangers Van Mierlo en Kooijmans destijds al voorzagen.

De Raadgevende Vergadering heeft de hoge plicht om de Europese standaarden te verdedigen. De Kamer heeft haar in de uitoefening van die plicht willen volgen. De Europese ministers hebben anders beslist. Wellicht in de eerste plaats omdat zij anders hadden moeten toegeven in 1996 een ernstige fout te hebben gemaakt. Men wilde Rusland voor Europa behouden. En men wil dat nog. Maar welk Rusland voor welk Europa?