Rondzwemmen in giftig moeras

De eerste klap is een daalder waard, moet Tomas Lieske hebben gedacht. Zijn nieuwe roman, Franklin, zet in met een ijzingwekkende beschrijving van de gang van zaken in een Russische nikkelmijn, ergens in de jaren veertig. `De toren bij de nikkelmijn keek als een bewaker uit over het wolvenlicht van de vlakke omgeving', zo heet het nogal concentratiekampachtig. De zinnen over de nikkelmijn zijn zo heftig dat ze bijna uit hun voegen barsten, net als de helse toestand die ze beschrijven. Woorden als `pleistocene schemer', `gifgroene nikkelbloesem', `gierende remblokken', `teerachtig druipen', `vurige ovenscheppen', `ijzige temperatuur' en `snijdende wind' maken de zaak er niet geruststellender op. Tussen de nikkelmijn en de ertsfabriek rijdt een trein heen en weer, die aan de toch al oorverdovende herrie het zijne bijdraagt. `De trein zong een lied dat dwars door het ijs en de erts heen gilde. Het was een monster van een trein. Op het metaal koekte een laag aanslag uit een oertijd.'

Dit onheilspellende begin zet de toon voor de hele roman, die in sombere grijstinten is gehuld. Een vrolijke Frans is Lieske als schrijver nooit geweest, maar van verhalenbundels als Oorlogstuinen (1992) en Gods eigen kleinzoon (1996) is mij een iets minder zompig beeld bijgebleven. Daar kierde nog wel eens een sprankje hoop, zoniet op betere tijden dan toch op momenten van geluk, opluchting of zorgeloosheid. Op Franklin rust de zware doem van het verleden, van het oorlogsverleden vooral ook, waaraan niemand lijkt te kunnen onsnappen.

De nikkelmijn moet hier waarschijnlijk worden opgevat als symbool voor ijzigheid en barbaarsheid in het algemeen. Niet alleen in poolstreken gaat het er soms wreed en onmenselijk aan toe, maar ook in de zogenaamde beschaafde wereld. Uit de echte nikkelmijn intussen weten drie mensen op miraculeuze wijze te ontsnappen, van wie er één op de vlucht omkomt. De andere twee, de Russische machinist Niel en een Nederlander, Charles Kinzensberg, belanden na veel omzwervingen in Den Haag, waar zij door de ouders en de zus van Charles weinig hartelijk worden ontvangen. Van de doodgewaande Charles, met zijn kortstondige SS-verleden (hij deserteerde aan het Oostfront), had men liever nooit meer iets vernomen, om praatjes te voorkomen. Op zijn zwijgzame vriend Niel, een soort oermens, die dag en nacht zijn stinkende overjas aanhoudt, zit ook al niemand te wachten.

De stijve ouders van Charles worden door Lieske al snel uit de weg geruimd (de moeder ontploft min of meer, nadat zij een verdelgingsmiddel heeft ingeademd en de vader sterft vervolgens van verdriet), waarna alleen zus Christine nog overblijft. Zij trouwt met een zakenman, die haar op een ongelegen moment bespringt zodat er al spoedig een zoon geboren wordt, die Franklin wordt genoemd, naar Roosevelt. Veel liefde is het kind niet beschoren. De vader heeft alleen oog voor zijn zaken en de boze, want te vroeg van haar jeugd beroofde moeder probeert hem met veel slaag in het gareel te houden, wat natuurlijk niet lukt.

Als hij negen jaar is, wordt Franklin aan zijn lot overgelaten. Dan vertrekken zijn ouders naar Afrika en wordt hij ondergebracht in een internaat. Op straat en op kostschool leert hij nog wat streken bij, zodat hij al snel uitgroeit tot een heuse querulant. Cocktailprikkers, stiletto's, scheermesjes, lucifers en mooie woorden zet hij in als wapens, ter compensatie van zijn door moederlief met een koperen staaf kromgeslagen rug. Net als Charles en Niel is hij een overlever. Met enige overdrijving zou je kunnen zeggen dat hij het nikkelkamp van zijn jeugd heeft overleefd, al zal hem dat helaas niet ver brengen. Evenals zijn beroemde naamgenoot eindigt hij in een rolstoel, die bovendien, met Franklin en al, van een plat dak zal worden geduwd.

Dit is het droevige levensverhaal van Franklin, dat door Lieske omstandig uit de doeken wordt gedaan. Hij richt zich daarbij vooral op de buitenkant. Jaren geleden merkte hij eens op in een interview dat hij huiverig was voor het altijd op de loer liggende sentiment. Nog steeds doet hij er alles aan om gevoelens zoveel mogelijk weg te moffelen, onbenoemd te laten, of te verplaatsen. Dat laatste is het geval bij de machinist van een goederentrein die buiten zijn schuld een vriendinnetje van Franklin doodrijdt. In plaats van de ontredderde man zelf, brengt Lieske een deur in beeld. Dan staat er dat er `heel langzaam, hoog in de machine een verbijsterde deur' wordt geopend. Dat is natuurlijk een aardige personificatie, maar Lieske heeft net iets te veel de neiging om de emoties op veilige afstand te houden.

Die neiging is ook terug te vinden in zijn manier van vertellen. We zien hier de wereld niet door de ogen van Franklin, zoals je op grond van de titel zou verwachten. Het perspectief verschuift steeds. We hopsen van het ene hoofd naar het andere, zodat het niet goed mogelijk is de gedachtengang van Franklin of van wie dan ook te volgen. Een en ander leidt ertoe, in combinatie met de zwaar aangezette, beeldsprakige stijl van Lieske, dat de romanfiguren onwezenlijke, karikaturale trekken krijgen. Neem bijvoorbeeld oom Charles, van wie wordt gezegd dat de `bodem van zijn ziel' eruit zou zien als `een stekelige artisjok' of Franklin zelf, die naar de breekbare hals van zijn geliefde kijkt: `Dit moment raakte de kern van zijn leven, bedacht hij.'

Misschien is het minder opzettelijk dan ik hier veronderstel en is het minder een kwestie van perspectief dan van onvermogen om het verhaal dat hij wil vertellen ook hélder te vertellen. Hoe dan ook, Lieske lijkt mij eerder tot het encyclopedische type te behoren dan tot het psychologische. Liever gaat hij in op bijzonderheden over naaiateliers, ertsfabrieken, of locomotieven dan op de beweegredenen van zijn hoofdpersoon. Of, zoals hij het Franklin zelf laat uitdrukken: `de diepe gronden van zijn sentimenten meed hij als giftig moeras'. In dat giftige moeras laat Lieske zijn lezers dan maar wat rondzwemmen, op zoek naar een bewering, een overkoepelende gedachte of een antwoord op de vraag waarom wij al die bladzijden zouden moeten lezen over iemand die maar geen bekende wil worden en die wij alleen maar schouderophalend kunnen volgen op zijn duistere wegen.

Tomas Lieske: Franklin. Querido, 336 blz. ƒ45,-

Nederlandse literatuur