Overtuigende wonderen

Voor de middeleeuwer stond vast dat je van het verleden kon leren. Dat leverde een pragmatische, zedenprekerige geschiedschrijving op. In drie onlangs uit het Latijn vertaalde middeleeuwse teksten blijkt hoezeer in die tijd historie en moraal samenvielen.

`Historia magistra vitae' - met die boodschap zal een hedendaags historicus geen harten breken. Toch meende nog Nederlands grootste historicus van de negentiende eeuw, Robert Fruin, dat de geschiedenis `leermeesteres des levens' was. `Zij moet in het verledene het goede van het kwade onderscheiden', hield hij zijn gehoor voor, `het eene ter navolging, het andere ter afschrikking'. Maar in de moderne wetenschappelijke geschiedschrijving, waarvan ook Fruin een representant was, werd de moraal allengs losgescheurd van het verleden. Wie zich toelegt op de geschiedschrijving van vóór de negentiende eeuw, zal evenwel rekening moeten houden met de morele aspecten die voorheen golden. Voor de meeste middeleeuwers stond in elk geval vast dat je van het verleden aanzienlijk kon leren.

In zijn Levensbeschrijving van keizer Hendrik II noteerde de Utrechtse bisschop Adelbold: `Wie over de daden van een ander leest, kijkt in een spiegel. Als U daarin iets ziet wat U mishaagt, verbeter dat dan in Uzelf. Ziet U iets wat U aanspreekt, volg dat dan na'. Voor de middeleeuwers ging het niet alleen om de res gestae, de feitelijke gebeurtenissen, maar ook om de gesta Dei, de diepere religieuze waarheid die achter de waarneembare wereld schuil gaat. Waar een hedendaags historicus op zoek gaat naar onzichtbare `maatschappelijke structuren', probeerde zijn middeleeuwse vakgenoot de werken Gods op het spoor te komen. In Zijn heilsplan kwamen goed en kwaad aan het licht. Ook in die zin was de geschiedenis stichtend.

Deze pragmatische betekenis van de middeleeuwse geschiedschrijving laat zich lezen op vrijwel elke bladzijde van drie geschriften, die onlangs uit het Latijn in het Nederlands werden vertaald, en die stuk voor stuk sleutelteksten vormen voor een goed begrip van de geschiedenis der Nederlanden in de volle Middeleeuwen.

Hans van Rij vertaalde Gebeurtenissen van deze tijd, geschreven door Alpertus, een monnik die vermoedelijk uit onze streken afkomstig was. Diens geschiedverhaal is op het eerste gezicht een veelkleurige warboel van allerhande voorvallen, die nauwelijks samenhang vertonen. Een relaas over de strooptochten van de Noormannen wordt abrupt onderbroken door een levensbeschrijving van de Utrechtse bisschop Ansfried. En als de auteur de Tielse kooplieden als wetsovertreders, drinkebroers en verstokte echtbrekers ten tonele heeft gevoerd, volgt plompverloren een beschrijving van de slag aan de Merwede, waar het keizerlijke leger onder bevel van Godfried, hertog van Neder-Lotharingen, werd verslagen door de graaf van (het latere) Holland.

Van Rij heeft een eerdere, door hemzelf gemaakte vertaling herzien.Onbetwiste hoofdpersonen van Alpertus' geschiedverhaal zijn de aartsrivalen Balderik en Wichman, edellieden die talrijke bezittingen in het Nederrijngebied hadden. In hun feodale machtshonger sleurden zij de hele bevolking met zich mee. De bron van alle kwaad was, aldus Alpertus, de echtgenote van Balderik, Adela. Hij maakt er geen geheim van dat ze `veel te luid praatte' en `wulpse taal uitsloeg', en schildert haar als een heerszuchtige, jaloerse en moordlustige intrigante. Hoewel uit historisch onderzoek is gebleken dat de gravin wel wat al te zwart is gemaakt, is de moraal van het verhaal zonneklaar. Adela, Balderik en Wichman vertegenwoordigen de `blinde begeerte naar armzalige eer en bedrieglijke macht', en staan daarmee regelrecht tegenover degenen die gerechtigheid en vrede nastreven, zoals Adela's zus Liutgardis, abdis in Elten. Over beide zussen merkt Alpertus op dat `men evenzoveel deugden in de een kan prijzen, als gebreken aanwijzen in de ander'.

Onreine honden

Alpertus brengt zijn gedachten wat stroef onder woorden. Als schrijver is hij veruit de mindere van Galbert van Brugge, secretaris van de grafelijke kanselarij in Vlaanderen, die een eeuw later de moord op Karel de Goede beschreef. Galbert was een geboren verteller, die in de persoon van Bert Demyttenaere een waardig vertaler heeft gekregen. Demyttenaere herzag zijn vroegere vertaling grondig en het resultaat is een prachtige weergave van een uniek egodocument.

In de jaren 1127-1128 werd het vorstendom Vlaanderen overstemd door schel wapengekletter. Temidden van het krijgsgeschreeuw noteerde Galbert vrijwel dagelijks vluchtig schetsen op wastafeltjes, die hij in momenten van spaarzame rust bijschaafde. Het plan om er een stichtelijk en boeiend verhaal van te maken `ten behoeve van de gelovigen', liet hij, om een reden waarnaar wij slechts kunnen gissen, liggen. Het dagboek, geschreven in meesterlijk proza, bleef ongepubliceerd en is daarom zo interessant, omdat de tegenstrijdigheden die de menselijke geest kenmerken hier nog niet zijn gladgestreken. Contrasten zijn, behalve in de beschreven gebeurtenissen en het relaas ervan, ook terug te vinden in Galberts geschiedconceptie.

De auteur was een innig bewonderaar van zijn broodheer, graaf Karel de Goede. Deze bleek uit ander hout gesneden dan zijn voorgangers. Hij herstelde recht en vrede, en betoonde zich een onmisbare steun voor de armen. In zijn streven orde op zaken te stellen, ontmoette hij ook tegenstanders, `onreine honden, vervuld van duivelse geest', in de woorden van Galbert. Tot deze opposanten behoorde de op één na belangrijkste man van het graafschap: een zekere Bertulf. Deze topambtenaar was een echte parvenu. Afkomstig uit een geslacht van onvrijen, was hij opgeklommen tot kanselier van Vlaanderen. Graaf Karel liet echter niet met zich sollen. Vastberaden sleepte hij de kanselier en leden van zijn clan voor het gerecht, om hen op te eisen als horigen. Zo riep hij het onheil over zich af. Met instemming van Bertulf werd de graaf vermoord, terwijl hij in de burchtkerk aan het bidden was.

Gelukkig kreeg de kanselier zijn verdiende loon. Een maand na de vuige moord werd hij ingerekend en naakt opgehangen aan een paal. Geen schande bleef hem bij de foltering bespaard. Met merkbaar genoegen tekent Galbert aan dat een woedende volksmenigte hondendarmen rond zijn hals vlocht en hem een muilkorf opzette. `Daarmee gaf men te kennen', schrijft hij, `dat hij op een hond geleek en zich honds had gedragen'.

Vlak voor de moord op graaf Karel stipt Galbert aan dat de verraders haast maakten met `datgene wat zij door de noodzaak der goddelijke beschikking toch uit vrije wil zouden voltrekken'. In deze woorden klinkt Augustinus' opvatting over de vrije wil door. De moordenaars behouden hoe dan ook hun verantwoordelijkheid en het is aan de lezer daaruit lering te trekken. Ook in een ander opzicht laat Galbert de zin van het gebeurde doorschemeren. De moord op Karel lijkt hij te willen verklaren met een verwijzing naar Deuteronomium, 5:9: `want God pleegt de zonden der vaderen met gestrenge wraak te straffen tot in het derde en vierde geslacht'. Robrecht de Fries had indertijd onrechtmatig het Vlaamse graafschap verkregen. Karel de Goede was na hem de vierde graaf. Door zijn martelaarschap voltooide God de wrekende straf voor het oude verraad.

Historie en moraal vallen eveneens samen in de werken van Caesarius, monnik van een abdij in Heisterbach, even ten zuiden van Bonn. Deze cisterciënser publiceerde ruim een eeuw na Galberts dagboek, in diverse geschriften, zo'n negenhonderd vertellingen waarin vaak van wonderbaarlijke gebeurtenissen gewag wordt gemaakt. De auteur wilde er religieuze waarheden mee aanschouwelijk maken en bewijzen. De opgetekende wonderverhalen of exempels dienden ook ter stichting. Omdat het tezelfdertijd om (eigentijdse) geschiedenis ging, werden naar vermogen personen en plaatsen genoemd en de zegslieden vermeld. Jaap van Moolenbroek heeft ruim zestig verhalen geselecteerd, vertaald en toegelicht. De door hem gekozen mirakels vonden op Nederlands grondgebied plaats, of werden verteld over of door personen die uit onze streken afkomstig waren.

Terugkerende doden

Caesarius belangrijkste werk is de Dialogus miraculorum, een boek dat 746 kapittels telt. Driekwart van zijn collectie heeft Van Moolenbroek aan deze verzameling ontleend. Telkens is een novice aan het woord die vragen stelt, en een monnik die antwoord geeft. De dialoogvorm ontleende Caesarius aan een geschrift van paus Gregorius de Grote. In de proloog van zijn Dialogi had Gregorius reeds het nut van exempels beklemtoond: `Er zijn mensen die eerder door voorbeelden dan door uiteenzettingen in liefde voor het hemels vaderland ontsteken'. De meeste overtuigingskracht bezaten natuurlijk verhalen over wonderen en visioenen.

De boodschap laat zich bij Caesarius meestal eenvoudig raden. Zoals in het geval van de scholier die, opgestookt door kwaadwillende lieden, de cisterciënserorde belasterde. In zijn slaap verscheen hem de moeder Gods, die de jongen maande ogenblikkelijk op te houden met zijn schimppartijen. In een ander mirakel is sprake van een novice die op reis gaat. Om zijn middel draagt hij een reliekenkistje. Als hij plotsklaps door heftige lustgevoelens wordt overvallen, stoten de heiligen hem vanuit het kistje keihard in zijn zij. In weer een andere vertelling figureert een Utrechtse kanunnik, die een kloosterlinge had verleid. Zijn medebroeders kregen bij diens lijkwassing de schrik van hun leven toen ze ontdekten dat zijn geslachtsdelen verschrikkelijk misvormd waren.

Maar de mooiste verhalen zijn die over doden die terugkeren op aarde, meestentijds vanuit het vagevuur. Ontroerend is het verhaal van een `Maria', een mooie jonge vrouw, die in een visoen aan abt Henricus van het klooster Klaarkamp in Friesland verschijnt. Het meisje blijkt een kloosterlinge te zijn, zwanger gemaakt door een geestelijke. Aan de abt vraagt zij missen te lezen voor haar zielenheil. In een ander visioen horen we van dolende ridders, die na hun dood veroordeeld zijn om voortdurend op elkaar in te hakken. Tijdens hun leven hadden ze deelgenomen aan toernooien, en die waren door de Kerk nu eenmaal ten strengste verboden. Beter verging het de Friese ridders die tegen de Ongelovige vochten. Deze kruisvaarders werden in hun strijd tregen de Saracenen geholpen door een `sneeuwwitte slaglinie van mannen met rode kruisen op de borst' - martelaren, zo licht Caesarius toe, die als hulptroepen uit de hemel waren gestuurd.

Het is de vraag of Van Moolenbroek er verstandig aan heeft gedaan zich bij de keuze van zijn verhalen te beperken tot Nederland. Een thematische indeling was beter geweest. Voor het samenstellen van zo'n werk is Van Moolenbroek, die zich een uitstekend vertaler en gedegen commentator heeft betoond, in elk geval de meest aangewezen persoon.

Na zoveel zedenpreken is misschien beter te begrijpen waarom de `geschiedenis als leermeesteres des levens' in de moderne geschiedwetenschap goeddeels heeft afgedaan. Toch zijn er nog steeds historici die een vurig pleidooi houden voor de geschiedschrijving als een vorm van morele reflectie. Daarmee maken zij deel uit van een traditie, die door de eeuwen heen ontegenzeglijk de hoofdstroom van het Europese historische bewustzijn vertegenwoordigde.

Jaap van Moolenbroek: Mirakels historisch. De exempels van Caesarius van Heisterbach over Nederland en Nederlanders. Verloren, 361 blz. ƒ49,–

Alpertus van Metz: Gebeurtenissen van deze tijd.

Een fragment over bisschop Diederik I van Metz en De mirakelen van de heilige Walburg in Tiel. Vertaald en ingeleid door Hans van Rij. Verloren, 95 blz. ƒ22,50

Raoul van Caenegem, Albert Demyttenaere en Luc Devliegher: De moord op Karel de Goede. Davidsfonds, 280 blz. ƒ45,–

Tekst en waarheid

    • Ronald van Kesteren