Onstilbare honger naar straf

De roep om strenge straffen neemt toe in de samenleving. Tegelijk waarschuwen politici dat rechters steeds vaker op de stoel van bestuurders gaan zitten. Drie boeken over de overspannen verwachtingen van het recht.

`Vijf jaar cel? Onvoorstelbaar!' Zo verwoordt een krantenkop de reactie van vrienden van de 17-jarige Daniel die begin dit jaar op het station in Vlaardingen werd doodgeslagen, op het vonnis voor de hoofddader. Pas verderop in het bericht blijkt dat er ook nog tbs werd opgelegd. Dat is formeel geen straf maar een `maatregel', maar tbs wordt door delinquenten vaak meer gevreesd dan celstraf, omdat het duidt op de aanwezigheid van een ernstige geestelijke stoornis bij de dader.

Een dergelijk bericht is typerend voor het `grote onbehagen' over de Nederlandse strafrechtspleging dat het onderwerp vormt van een gelijknamig boek van de Leidse hoogleraar strafrecht Th.A. de Roos. Jarenlang was het geijkte antwoord op dit onbehagen: lees een ander ochtendblad. Strafrecht is te ingewikkeld voor sjablones zoals de kop over de uitspraak in de zaak-Daniël van Cotthem. Maar dat gaat niet meer op. Er lijkt wel een nieuwe behoefte aan strenge straffen vaardig te zijn geworden over de hele samenleving, bepaald niet alleen onder de lezersschare van een groot ochtendblad.

Het onbehagen over het strafrecht staat ook niet alleen. Het heeft machtige bondgenoten in autoriteiten als premier Kok, oud-minister Peper, Commissaris van de Koningin Van Kemenade en fractieleider Melkert van de PvdA. Hun kritiek betreft de `juridisering' van het bestuursrecht. Preciezer: het verschijnsel dat de rechter steeds meer op de stoel gaat zitten van de – wèl democratisch gelegitimeerde – bestuurders. Deze stammenstrijd is onderwerp van een ander recent boek, van de Amsterdamse hoogleraar arbeidsrecht P.F. van der Heijden.

Vertrouwen

Zowel bij De Roos als Van der Heijden speelt de rechter een belangrijke rol. De rechter vormt, zoals de titel reeds aangeeft, ook een belangrijk thema van een derde boek, de jongste bundel van Jan Leijten, oud-hoogleraar en oud-advocaat-generaal bij de Hoge Raad, en een onvermoeibaar publicist. Hij haalt overigens heel wat meer overhoop. Zijn bespiegelingen zijn een beetje verraderlijk, want net als de lezer zich laat meevoeren met een vertoog over de humor bij Cicero of Bilderijk en de dood, komt er opeens een harde juridische boodschap om de hoek kijken.

Over kritiek op de rechterlijke macht bijvoorbeeld. Sommigen hebben het daar moeilijk mee. De rechter kan zich immers niet verweren (net als de koningin in wiens naam hij recht spreekt). Dat is niet helemaal een gelegenheidsargument. Vertrouwen in de rechtspraak is een onmisbaar element van een rechtstaat en vertrouwen dient te worden beschermd tegen ongefundeerde en destructieve aanvallen. Zo formuleerde het Europese Hof voor de mensenrechten het nog niet lang geleden in een zaak over en artikel in het Belgische blad Humo.

Toch billijkte het hof in dit geval een wel zeer kras geval van kritiek: een aanval op rechters in Antwerpen, die in een voogdijzaak twee kinderen hadden toegewezen aan hun vader ondanks aanwijzingen van incestueuze betrekkingen. De veronderstelde reden was zo mogelijk nog ernstiger: de rechters zouden net als de vader rechts-extremistische sympathieën hebben gehad.

Het probleem is natuurlijk dat sympathieën notoir moeilijk hard te maken zijn. Dat hoeft ook niet, zei het Europese hof. Het is voldoende dat de aantijgingen een zekere `feitelijke grondslag' hebben. Deze uitspraak is niet alleen van belang voor de vraag of openlijke kritiek op rechters geoorloofd is. In het verlengde ervan ligt de vraag in hoeverre rechters zèlf, bijvoorbeeld bij het beoordelen van een verzoek tot wraking, rekening moeten houden met `de schijn des kwaads', zoals het ooit fameus werd genoemd door een voorzitter van de Tweede Kamer, Anne Vondeling.

Rechters hebben niet alleen hun kritikasters, maar ook hun verdedigers, zoals Paul van der Heijden. Hij neemt scherp stelling tegen een spraakmakend rapport van verontruste bestuurders onder aanvoering van de Commissaris van de Koningin in Noord-Holland en oud-minister Van Kemenade. Nu is het ook niet zo moeilijk daar korte metten mee te maken. Zo gaat het bezwaar dat de benoemde rechter het gekozen openbaar bestuur doorkruist voorbij aan het feit dat de rechter vooral te maken heeft met `besluitfabrieken' die helemaal niet zo democratisch zijn. De sociale zekerheid is hiervan een goed voorbeeld, maar het geldt ook voor de gemiddelde bouwvergunning of subsidie-aanvraag.

De rechter heeft de laatste jaren ongetwijfeld meer met bestuurszaken te maken gekregen. Maar dat was voor een belangrijk deel een inhaalslag, zegt niemand minder dan de huidige minister van justitie Korthals. Niet de minst belangrijke reden van de toename van juridische zaken is de enorme toename aan overheidsregelingen (een ware regelvloed) die vaak gepaard gaat met een aanscherping ten nadele van de burger (denk aan de WAO). Een overheid die kaatst, moet de bal verwachten.

Machtshonger

Leeft er machtshonger onder de rechters? Het ligt eerder omgekeerd, zo heeft bestuursrechter D. Allewijn opgemerkt. Respect voor de bestuurlijke belangenafweging zit volgens hem `de rechter in de genen'. Om maar zoveel mogelijk af te blijven van de inhoud van bestuurlijke beslissingen concentreert hij zich op de formele aspecten: een juiste procedure, een precieze motivering.

Maar dan stuit men weer op de kritiek dat de rechter een complex bestuurlijk proces laat struikelen over een vormfoutje. Deze kritiek is niet consistent. Zelfs minister Peper waarschuwde ooit: `een zeker formalisme is inherent aan de scheiding der machten in de staat'. De kritiek is ook niet eerlijk, vindt Van der Heijden. Als voorbeeld noemt de auteur het passeren van de betrokkenOndernemingsraad bij de voorgenomen bestuurlijke herindeling van de Haaglanden. Deze herindeling heeft consequenties voor de ambtenaren, dus was een adviesaanvraag aan de OR door de betrokken gemeenten vereist. Deze aanvraag kon slechts met behulp van de rechter worden afgedwongen. Een inbreuk op het primaat van de politiek? De Hoge Raad lijkt dat bezwaar in een recente uitspraak over deze kwestie te delen. Maar het is volgens Van der Heijden sterk overdreven.

Ten eerste is een OR-advies niet bindend (ambtenaren hebben geen veto over een politiek besluit als herindeling). Bovendien is het passeren van de OR niet een fatale fout, maar kan hij – en dus het herindelingsproces – worden hersteld door alsnog de wettelijke procedure te volgen. Dat dit niet meteen is gebeurd valt, afgaande op een verklaring van minister Peper, niet los te zien van de omstandigheid dat de gemeentelijke en provinciale besturen elkaar de Zwarte Piet bleven toespelen. Eigen schuld dus.

Dat is vaker het geval. De eerstaangewezen oplossing voor het probleem van de juridisering is dat het openbaar bestuur de kwaliteit van de besluitvorming verbetert, in plaats van alle schuld op de rechter te schuiven. Want hoe overtuigend het betoog van Van der Heijden ook is, het heeft een zwakke plek en dat is juist het formalisme dat nu eenmaal inherent is aan rechtspraak. Zo vreemd is het niet dat dit ongeduldige reacties in de hand werkt.

Het bewaken van procedures is mooi, maar de procedure moet niet worden verward met de eigenlijke inzet van een geschil. Deze vraagt wel degelijk een inhoudelijke toetsing op hoofdpunten, zoals de rechten van de mens. En dat kan de rechter tòch weer in politiek vaarwater brengen. Deze consequentie lijkt Van der Heijden in zijn ijver de rechter in bescherming te nemen tegen de grijpgrage politici een beetje uit de weg te gaan.

In het strafrecht, thema van het boek van De Roos, hebben de grondrechten een speciale betekenis. Het strafrecht is, zoals het heet, schild en zwaard tegelijk. Het is er om de burger te beschermen maar doet dat vaak met middelen die een inbreuk maken op de burgerlijke vrijheden: diverse vormen van vrijheidsbeneming en diverse vormen van aantasting van de persoonlijke levenssfeer (telefoontap, huiszoeking, observatie). Dat vraagt om nauwkeurige, rechterlijke controle.

Vuilniszakken

De rol van de rechter is opmerkelijk onderbelicht gebleven in de parlementaire enquête door de commissie-Van Traa die enkele jaren geleden een hele serie zorgwekkende politiemethoden aan het licht bracht. Toch hebben rechters keer op keer de andere kant op gekeken bij het `doorlaten' van grote partijen drugs, rare strapatsen van informanten en infiltranten of het doorsnuffelen van vuilniszakken. Dat laatste blijkt nu al (in de zaak-Vaatstra) een methode om aan DNA-materiaal van een mogelijke verdachte te komen.

De Roos gaat daar eigenlijk niet op in, maar concentreert zich net als de Commissie-Van Traa veeleer op het Openbaar Ministerie (OM), dat de leiding heeft over opsporingsonderzoeken. Wat de rechter betreft bespreekt hij vooral het hete hangijzer van de straftoemeting. Dit is een voorbeeld van zijn algemene stelling dat mensen van het moderne strafrecht meer vragen dan het kan bieden. Hij zoekt de remedie in een onverwachte hoek: meer openheid in de rechtszaal. Deze moet meer open staan voor radio- en televisie en het internet. De Roos verwacht meer begrip bij het publiek wanneer dit een beeld krijgt van de alledaagse werkelijkheid in de paleizen van justitie `zonder de dwingende focus van nieuwswaarde en de eigen accenten die de verslaggever onvermijdelijk legt'.

Bedoelt hij: toch maar een andere krant nemen?

Paul F. van der Heijden: Het recht in de ramsj. Openbaar bestuur op de stoel van de rechter. Balans, 139 blz. ƒ27,50

Jan Leijten: God houdt niet van rechters. Balans, 178 blz, ƒ39,50

Theo A. de Roos: Het grote onbehagen. Emotie en onbegrip over de rol van het strafrecht. Balans, 143 blz. ƒ29,50

Recht en onrecht