Leven zonder matras

NEW YORK,,Eigenlijk voel ik me een paard dat nog nooit door een goede jockey is bereden. Of ze waren alcoholist, of ze hadden problemen met hun lichaamsgewicht of ze hadden gewoon geen uithoudingsvermogen.''

Veel licht was er niet in de woning. Misschien was het ook geen woning, misschien was het een rommelhok dat tijdelijk dienst deed als woonruimte. Al twintig minuten stond ik in de deuropening met een doos bonbons in mijn hand.

,,Uithoudingsvermogen'', zei ik, ,,dat is een probleem'', en ik bracht de bonbons van mijn linker- naar mijn rechterhand.

Ik had de uitnodiging niet moeten aannemen. Nieuwsgierigheid is niet altijd je beste raadgever.

Twintig jaar geleden hadden we samen op joodse les gezeten en ons gebogen over de vraag wat je moest doen als twee mensen tegelijk een kledingstuk op straat vinden. Belangrijke vragen, maar dat weet je niet als je 9 bent.

Zijn haar was nog altijd blond en steil.

,,Kom verder'', zei hij, ,,het is niet veel, maar beter dan niets.'' Eindelijk zag ik kans de bonbons in zijn handen te drukken. ,,Een aardigheidje'', fluisterde ik.

Ik was hem uit het oog verloren, zoals bijna iedereen. Als je opnieuw wilt beginnen, moet je geen brokstukken uit je verleden met je meeslepen, zeker niet als het om een verleden gaat waarvoor je je in het diepst van je hart schaamt.

Via via hoorde ik nog wel hoe het verder met hem was gegaan. Hij had god gevonden, niet lang daarna een vrouw. Toen was hij naar Los Angeles verhuisd en de combinatie van god en vrouw had geresulteerd in drie kinderen. Daar raakte ik het spoor bijster, tot ik op een dag op mijn mobiele telefoon werd gebeld door iemand die zei: ,,Ik ben in New York, weet je nog wie ik ben?''

Ik zat in een taxi.

Het verstandigste antwoord op zo'n vraag luidt: ,,Nee, en ik geloof ook niet dat ik het wil weten.'' Maar ik had net uitgerekend dat ik vaker in taxi's zat dan dat ik neukte. Dat zei iets over mijn leven, ik wist alleen niet wat. Misschien antwoordde ik daarom, ,,Ik kan je stem even niet thuisbrengen.'' Wat niet verwonderlijk was, want ik had die stem 18 jaar niet meer gehoord.

Er waren geen stoelen in het huis, ja een tuinstoel en een barkruk. Hij nam plaats op de tuinstoel, ik op de barkruk.

,,Ik kook graag voor mensen'', had hij door de telefoon gezegd. Ik vroeg me af waar in deze ruimte gekookt kon worden.

Een boodschappentas stond in het midden van de kamer, omgeven door kleren, papieren, kaplaarzen.

,,Weet je dat ik bijna rabbijn was?''

,,Nee'', zei ik, ,,hoe moet ik dat weten?''

,,En toen...'' Hij knikte berustend in zijn tuinstoel.

Wat er toen gebeurde had hij me al verteld, half door de telefoon, de rest staand in de deuropening.

Eerst was hij god kwijtgeraakt, niet lang daarna vrouw en kinderen. Hij was gaan zuipen en hoereren, wat wel vaker gebeurt met mensen die god kwijtraken. Iets wat mij sterkt in de overtuiging dat je hem beter niet kunt vinden.

,,Je bent niets veranderd'', zei hij.

Ik retourneerde het compliment. Een leugen, maar eindelijk eentje die niemand me kwalijk zou nemen.

Hij klapte in zijn handen en stond op uit de tuinstoel. ,,Ik ga voor je koken'', zei hij. Uit de boodschappentas haalde hij een pak spaghetti, een blik tomatenpuree, een ui, en olijfolie.

,,Er komt hier niet veel daglicht hè'', zei ik.

,,Er komt hier helemaal geen daglicht.''

Hij liep naar een gootsteen in een hoek, trok een koffer weg en toen kwam er zowaar een fornuis tevoorschijn.

Ik liep achter hem aan, aarzelend of ik hem mijn hulp moest aanbieden en wat ik dan zou moeten doen? Een ui snijden?

,,Mis je je vrouw?'' vroeg ik, ,,en je kinderen?'', terwijl hij een verroest pannetje uit een kast trok en de gedachte aan eten mij steeds meer ging tegenstaan.

,,Nee'', zei hij, ,,niet echt. Zo gaan die dingen.''

Met de mouw van zijn overhemd veegde hij stof uit het pannetje.

,,Weet je wat ik mis? Een matras.''

,,Wat mis je?'' vroeg ik.

,,Een matras. Zie jij een matras?''

Ik keek om me heen.

,,Nee'', zei ik, ,,ik zie geen matras.''

God, vrouw, kinderen waren allemaal luxegoederen die je wel kon missen, maar een matras, hoe moest je leven zonder matras?

,,Ik vind het leuk dat je er bent'', zei hij.

We aten zittend op de grond. Ik betrapte me op de gedachte dat ik niet met mijn zomerbroek op de vieze grond wilde gaan zitten, en ik betrapte me ook op schaamte voor die truttige gedachte. Misschien is het die truttigheid die uiteindelijk het verschil uitmaakt tussen een matras of geen matras. Ik at spaghetti die aan elkaar kleefde, wat spaghetti volgens mij niet behoort te doen.

Hij at gretig, gretiger dan ik in ieder geval. Stoer was hij geweest, op joodse les. Ik had in zijn schaduw gestaan. Daar stond ik graag, want uit de schaduw kon je het zonlicht goed bekijken zonder zelf te verbranden.

,,Eerst ontdekte ik vrouwen'', zei hij met volle mond, ,,dat ging al niet samen met god, toen ging ik zuipen, vervolgens ontdekte ik mannen. Weet jij iets van mannen?''

Ik zag een haar in de tomatensaus die ik er discreet uithaalde.

,,Mannen'', zei ik, alsof het een gerecht was bij de Mexicaan dat ik niet kon thuisbrengen. ,,Ik verzamel vooral vrouwen.'' Ik glimlachte en ook op zijn gezicht verscheen een glimlach. Toen besefte ik dat er hier helemaal geen plaats was voor een matras. Een slaapzak ging nog net.

,,Heb jij ervaring met mannen?''

Ik schudde bijna onmerkbaar mijn hoofd en bestudeerde restanten van de maaltijd die hij voor ons had bereid.

,,Laten we tegen de muur gaan zitten'', zei hij, ,,nog wat drinken.''

Ik keek naar de muur. Mijn broek was al verpest, nu ging mijn blouse er aan.

Misschien was dat maar beter ook.

,,Je gaat er wel raar van poepen'', zei hij.

Ik moest denken aan de rabbijn die ons les had gegeven en die nu vast dood was of dement.

,,Het heeft iets vernederends'', zei ik.

,,Maar dat is ook het opwindende.''

Ach natuurlijk, het plezier van de vernedering, hoe had ik het kunnen vergeten?

Van alles wat ik had geschreven, zou één woord overblijven: futiel. Een woord als een fietsband die leegloopt.

,,Je moet niet verliefd op me worden'', zei hij.

Ik wilde opstaan, maar de goedkope drank had me misselijk gemaakt.

,,Hoe kom je erbij dat ik verliefd op jou zou worden? Ik kan op alles en iedereen verliefd worden, maar niet op rabbijnen die god zijn kwijtgeraakt, sorry.''

Ik zei het joviaal, als een grap, eentje die mislukte. Het kwam er botter uit dan ik had gewild, zoals veel er botter uit was gekomen dan ik had gewild.

,,Veel mensen zijn verliefd op me geworden, daarom zeg ik het. Ik was mooi. Met de helft van de mensen in sjoel heb ik wat gehad. Ik wist altijd al dat ik het van mijn charme en mijn uiterlijk moest hebben.''

Ik nam een slok uit de fles. Geen matras en geen glazen.

,,Waarvan heb jij het moeten hebben?''

Ik moest lachen. De grappigste vraag sinds tijden. Ik zocht een woord en kwam uit op `bedrog'. Een woord dat zo'n beetje alles samenvatte waarvan ik het had moeten hebben.

Ik voelde een hand op mijn rug. Ik miste kracht die hand weg te halen.

Daarna voelde ik een hand op mijn blote buik.

Ook die hand was futiel.

Iemand fluisterde in mijn oor, ,,je boeken, je hebt er succes mee hè? Ik moet je bekennen dat ik nog nooit iets van je heb gelezen.''

,,Dat moet je vooral zo houden'', zei ik.

    • Arnon Grunberg