Je kunt niet blijven schelden

Immigrantenbuurten in Parijs en gevangenen in de Sahara leveren Tahar Ben Jelloun de verhalen voor zijn romans: ,,Schrijvers zijn belangrijker dan politici.''

Tahar Ben Jelloun heeft de blik van een zojuist teruggekeerde kruisvaarder, die lijdt aan een burn-out. Sinds hij twee jaar geleden het kleine boekje Le racisme expliqué à ma fille publiceerde, werd Tahar Ben Jelloun het zeer politiek-correcte boegbeeld van de anti-racisme beweging in Frankrijk. Vierhonderdduizend exemplaren werden er alleen al in Frankrijk van verkocht. De vertalingen in Duitsland, Italië en Israël, waar het boekje ook via basisscholen werd verspreid, kenden eveneens grote oplagen. De schrijver, die de opbrengst grotendeels aan humanitaire organisaties schenkt, reisde van hot naar her om zijn anti-racistische boodschap tot in de meest afgelegen dorpen te verkondigen.

Tahar Ben Jelloun, die in 1944 in de Marokkaanse stad Fez werd geboren en sinds 1971 in Frankrijk woont, kreeg het idee voor zijn boekje door een gesprek met zijn tienjarige dochter Mérièm, met wie hij, in februari 1997, meeliep in een protestmars tegen een wetsontwerp van de toenmalige minister Debré. Met zijn voorstel wilde de minister de komst van buitenlanders naar Frankrijk bemoeilijken. Tijdens de demonstratie ontspon zich een gesprek over racisme en discriminatie, over rassen en zondebokken, over kolonialisme en genocide. Zo werd Papa, wat is een vreemdeling? een educatief abc van het racisme, geschreven op het niveau van groep 8 en een must voor iedere maatschappij waarin men de discussie over de multiculturele samenleving associeert met het woord drama. Met literatuur heeft het boekje echter weinig uit te staan.

,,Het is een verontrustend succes'', zegt Tahar Ben Jelloun, die al meer dan tien romans en evenveel toneelstukken, dicht- en verhalenbundels op zijn naam heeft staan. In 1987 kreeg hij de prix Goncourt voor zijn roman La nuit sacrée. In zijn kale werkkamer, een bescheiden chambre de bonne aan de Boulevard Saint-Germain in Parijs, liggen de boeken tot aan het plafond opgestapeld. Op zijn wiebelende bureaustoel schuift Ben Jelloun wat vermoeid heen en weer. ,,Het succes van dit boekje betekent dat de mensen zoeken naar kennis om tegen het racisme te vechten. Als er een bepaald soort epidemie uitbreekt, zal iedereen willen weten welke maatregelen je daartegen moet nemen. Onlangs bleek uit een opiniepeiling dat 69 procent van de Fransen zich `min of meer' racistisch noemt. Dat geeft al aan dat men er tegenwoordig weinig moeite meer mee heeft om zichzelf als racist te betitelen. Het Front National heeft het racisme gebanaliseerd. Ik ben al heel lang met dit thema bezig. Wat mij op dit moment de meeste zorgen baart, is de rampzalige situatie van honderdduizenden jongeren, die hier uit buitenlandse ouders geboren zijn, maar naar wie niemand ook maar een poot uitsteekt. Er ontstaat een enorme berg verschoppelingen en Frankrijk voert geen enkele, op jongeren gerichte immigratie-politiek. De buitenlanders die erin geslaagd zijn te integreren, hebben dat volledig aan zichzelf te danken.

Nekschot

,,Frankrijk heeft met de immigranten uit de Maghreblanden (Marokko, Algerije en Tunesië – md) een erg moeizaam gemeenschappelijk verleden. Onlangs doodde een Franse agent in Lille, een Algerijn met een nekschot – zonder enige aanleiding. Zoiets gebeurt een paar keer per jaar. Kort geleden las ik in Le Monde dat een nieuw scenario van de Franse cineast André Téchiné door zijn producent was geweigerd, omdat er teveel Arabieren in voor kwamen. Téchiné moest één van zijn hoofdpersonen, een Marokkaans, mohammedaans meisje met de naam Aïcha, veranderen in een Frans-joodse Sarah. Schandalig, maar zo is het in Frankrijk. De Fransen vinden het prima als immigranten hun huisvuil ophalen, maar ze moeten niet in hun films spelen.''

Kwamen er reacties op? ,,Ach, het is niet iets wat de Franse intellectuelen bezig houdt. Ook in de Frans-Franse literatuur is het geen thema en dat hoeft natuurlijk ook niet. Iedere schrijver is vrij om zijn eigen onderwerp te kiezen. Alleen Michel Tournier en J.M.G. LeClezio voeren soms immigranten op als personages in hun boeken. Dat is een indirecte manier om het over zo'n probleem te hebben.''

Zoals in Ben Jellouns hele oeuvre, wemelt het in zijn prachtige, onlangs in het Nederlands vertaalde roman Herberg der armen, van de kleurrijke Noord-Afrikaanse en Zuid-Europese personages. De ik-persoon is de vijftigjarige Marokkaanse schrijver en universitair docent Larbi Benya, die ervan droomt ooit de Arabische Ulysses te scheppen. De burgemeester van Napels nodigt hem uit een verhaal over de stad te schrijven en biedt hem de mogelijkheid voor een paar weken te ontsnappen aan zijn monotone huwelijk en aan hordes familieleden die zijn huis als de zoete inval beschouwen. In Napels zoekt Larbi de arme, vuile volksbuurten op, rond de haven, waar de geuren van kruiden, zee en zweet hem doen denken aan de Marokkaanse havenstad Tanger. Hij verdwaalt in een immens, grijs, vervallen gebouw, met dichtgemetselde ramen, dat vroeger dienst deed als Koninklijk Armenhuis voor het hele Koninkrijk. In de gewelven van dit gebouw ontdekt de schrijver de `achterkamer van de troosteloosheid', vol troep, ratten en afgedankte spullen, bewoond door één van de meest exorbitante vrouwen uit Ben Jellouns oeuvre: de Oude, `de lach van Napels. Ik ben het riool en de tuin, de vuilnisbak en de citroenboom, het braaksel en de zoetigheid, de voorjaarsmildheid en de winterwind, het goed en het kwaad, de herinnering en de wroeging, ik ben de pias van de mannen die verslingerd zijn aan drugs, vrouwen en alcohol'. De Oude beheert de `verhalenloods', waarin ze de verhalen bewaart die de mensen haar komen vertellen. `Er is een dievendoos, de doos over God, de hoerendoos, de leugenaars- en huichelaarsdoos, de slaap- en droomdoos en als je goed zoekt is er de doos over de dood'. Werkelijkheid en droom, waarheid en fictie, verbeelding en herinnering lopen door elkaar in een aaneenschakeling van poëtische verhalen, waarin de personages door het noodlot van de passie worden getroffen. Sommige personages zul je als lezer niet snel vergeten, zoals de koorddanser die een been brak toen hij uit zijn bed viel of de concertpianist die, na door zijn grote liefde te zijn verlaten, alleen nog maar de toetsen beroert die hij op een houten tafel heeft getekend.

Ben Jelloun: ,,De liefde in Herberg der armen is een stralend licht, een uitzonderlijke vlam, die in het voorbijgaan alles met zich meeneemt. Daarna dooft hij uit. Wat ervan overblijft is niet meer dan nostalgie. Het huwelijk heeft met liefde niets te maken. Het is een sociaal contract, waarbij twee mensen afspreken samen een winkeltje te runnen. De schrijver uit mijn boek is niet alleen met zijn vrouw getrouwd, maar met haar hele familie. In Marokko wordt geen rekening gehouden met privacy en individuele vrijheid. Wat ik het meest apprecieerde toen ik in Frankrijk kwam, was het feit dat het individu als apart wezen wordt gezien. Natuurlijk is een zekere mate van solidariteit ook belangrijk. Marokkaanse werkeloosheidscijfers bijvoorbeeld zijn absoluut nietszeggend, omdat iedere werkeloze meteen door zijn familie wordt opgevangen. Dat is een goede kant, maar in het algemeen is het gebrek aan respect voor het individu onverdraaglijk.''

Ook de literatuur draagt er de sporen van. ,,Niet voor niets kent de Arabische wereld geen romantraditie. De westerse roman is voornamelijk een uitdrukking van de wijze waarop één enkel individu naar de wereld kijkt. Het draait vaak om individuele, psychologische problemen, zoals de relatie tussen man en vrouw, tussen ouders en kinderen. Dat thema heeft mij wel een tijdje geïnteresseerd, maar nu niet meer.''

Man-vrouw misverstanden

Ben Jelloun doelt op boeken als De eerste liefde is altijd de laatste (1995) en La nuit de l'erreur (1997), waarin hij, in de vorm van ontelbare contes, op een amusante manier, vele misverstanden in de arabische man-vrouw verhouding de revue laat passeren. Altijd neemt hij het op voor degene die onderdrukt wordt – in de meeste gevallen de vrouw, die in de Marokkaanse samenleving nog steeds monddood is. Hoewel het godsdienstfanatisme geen thema is in Herberg der armen, laat Ben Jelloun op de laatste bladzijde jonge, gesluierde vrouwen de spot drijven met `baardmannen die zichzelf heel serieus namen'. ,,Ik ben van nature niet grappig'', zegt Ben Jelloun, ,,ik wilde een steek onder water geven. Ondanks de vele verbeteringen die onder de nieuwe Marokkaanse koning (Mohammed VI – md) zijn doorgevoerd, is de positie van de vrouw niet veranderd. Daarover zijn er heftige meningsverschillen tussen de islamieten en de andere partijen. Dat er zoveel fundamentalistische vrouwen zijn die in ernst geloven dat hun belang ligt in onderwerping aan de man, is een aberratie.''

Zoals al zijn romans en novellen, bevat ook Herberg der armen veel beelden en metaforen, die je zonder problemen ook in dichtvorm zou kunnen drukken. Ben Jelloun: ,,In de Arabische wereld leest men veel poëzie. Een gedicht is voor mij de expression priviligiée – daarmee verwoord je het wezenlijk, het universele. Ik vind het schrijven van poëzie nog net zo belangrijk als in mijn puberteit.'' Vijf jaar geleden publiceerde Ben Jelloun zijn Poésie complète, een kleine zeshonderd pagina's waarin hij, tussen de regels door, de geschiedenis van Marokko becommentarieert en uiting geeft aan zijn gemoedstoestanden door de jaren heen: woede, strijdlust, hoop, vervlogen illusies en nostalgie. Zijn eerste gedichten schreef Ben Jelloun in 1966, in het geheim, in een heropvoedingskamp, waar hij als te kritisch bevonden student voor een periode van achttien maanden, onder de brandende zon, stenen moest sjouwen, van de ene naar de andere heuvel. In zijn autobiografische verhaal L'écrivain public uit 1983, dat dit najaar ook in een Nederlandse vertaling verschijnt, vertelt Ben Jelloun over zijn pogingen om in het kamp uiterlijk onbewogen en onverschillig te blijven, terwijl hij 's avonds op vodjes papier de woede van zich af schreef: `Que restera-t-il? (Wat zal erover blijven?)/ rien que des miroirs hérissés (niets dan spiegels die aan diggelen zijn)/ rien que des plaines hurlantes (niets dan brullende stiltes)/ rien que des fouets brûlants (niets dan brandende zwepen)/ face à ce mirage qui n'en finit pas (tegenover die zinsbegoocheling waaraan maar geen einde komt).'

Momenteel schrijft Ben Jelloun een serie gedichten bij foto's van Italiaanse en Franse fotografen, zoals Brassaï en Edouard Boubat. ,,Het zijn foto's uit de jaren zestig. Ze weerspiegelen een volksaard en doen mij denken aan mijn eigen leven in die tijd. Ik ben wat wijzer geworden. Je kunt als dichter niet altijd woedend zijn. Je kunt niet altijd maar schelden of mopperen. Je moet ook de schoonheid van de dingen en van de wereld bezingen. Dat is net zo wezenlijk.''

Nieuw geheugen

Wat Ben Jelloun ook onderneemt, hij blijft bij uitstek een écrivain public, een publiek schrijver. Hij streeft ernaar de woordvoerder te zijn van analfabeten en verdrukten en vooral de herinnering aan hun cultuur en hun taal levendig te houden. Veel van Ben Jellouns personages oefenen het beroep van publiek schrijver uit, op de markt of bij de haven. De hoofdpersoon uit L'écrivain public `droomt ervan andermans privéleven binnen te gaan en diens herinneringen zo door elkaar te gooien, dat er een nieuw geheugen ontstaat, waarin niemand meer iemand herkent.' De schrijver uit Herberg der armen doet, als een schouwspel hem niet bevalt, zijn ogen dicht en droomt. `Ik bedenk een personage, ik geef het een naam en laat het in mijn plaats leven.'

Ben Jelloun: ,,Ik luister naar verhalen, ik absorbeer ze. Ik kijk naar mensen en stel me hun verleden voor en hun toekomst. De schrijver is altijd iemand die anticipeert op de realiteit. Ik ben daarbij van jongs af aan gevoelig geweest voor mensen die niets hebben. Al op de lagere school deelde ik mijn boterham met vriendjes die er zelf geen hadden. Ik was een goede christen, zou je kunnen zeggen. Zo zijn er nu mensen die het meer nodig hebben, dat ik over hun leven schrijf dan anderen. Er zijn mensen voor wie niemand zich interesseert, wier waarden iedereen onverschillig laat, wier verhalen niemand wil horen. Ik probeer naar hen te luisteren. Vorige week was ik in een voorstad van Parijs waar veel immigranten komen. Ik heb er een paar uur doorgebracht met mensen die net terugkwamen van een bedevaart naar Mekka. Ik heb gezien hoe ze huilden, hoe ze probeerden het feest na te bootsen dat ze in hun geboorteland altijd vierden. Dat was ontroerend. Het is veel interessanter om in een universum van angst en verdriet te duiken dan in een wereld van luxe en comfort. Voor mijn volgende boek heb ik mijn schrijversschap in dienst gesteld van een Marokkaan, die achttien jaar gevangenschap, midden in de Sahara, in volledig isolement, heeft overleefd. Ik heb die man ontmoet en het is een heilige. Hij is wijs en sereen en kent geen wraakzucht of haat. Hij kan zelf niet meer lezen of schrijven en heeft zijn concentratievermogen verloren. Ik heb naar hem geluisterd en zijn verhaal opgeschreven. Ik hoop dat ik erin geslaagd ben mijn boek een universele dimensie te geven, zodat het mensen in alle culturen troost biedt - de zwarte die in Amerika werd mishandeld, de man die in een Turkse gevangenis werd gemarteld en ook de Cambodjaan die heeft geleden onder Pol Pot.''

Overschat Ben Jelloun de invloed van literatuur niet enigszins? Zou de schrijver in dat geval niet beter een politieke rol kunnen ambiëren? Ben Jelloun weigerde ooit de post van Minister van Cultuur in Marokko, maar stelde zich vorig jaar wel kandidaat voor het Europese Parlement, in de democratische partij van de Italiaanse voorzitter van de Europese Commissie, Romano Prodi. ,,Voor de functie van minister was ik eenvoudig niet competent genoeg. Ik ben geen leider. Ik heb al moeite genoeg mijzelf te managen. Bovendien hecht ik aan de vrijheid van de schrijver. Ik ben niemand iets schuldig, zeg wat ik vind en ga waar ik wil. Mijn kandidatuur op de lijst van Prodi was een puur symbolische geste. Ik wilde niet verkozen worden en dat is ook niet gebeurd. Het was mij te doen om een kijkje in de radertjes van de politiek. Tijdens mijn reizen door Italië heb ik met veel mensen over mijn ideeën en mijn boeken gesproken. Ik heb bewezen dat een schrijver belangrijker en nuttiger is dan een politicus. Een politicus moet iedereen tevreden stellen en altijd vriendelijk zijn, zonder ooit de volledige waarheid te vertellen. Een minister die zijn volk de waarheid zegt, blijft niet lang minister. Het zijn de schrijvers die een samenleving in beweging brengen, veel meer dan politici. Zij kunnen wetten maken, dat is waar. Maar wie werkt er aan de mentaliteit? Dat zijn wij, de kunstenaars.''

Op dinsdag 16 mei, om 20 uur, organiseert de SLAA een schrijversgesprek met Tahar Ben Jelloun en Fouad Laroui. Res. De Balie : 020-5535100

Tahar Ben Jelloun: `Herberg der armen', vert. Théo Buckinx; `Papa, wat is een vreemdeling?', vert. Zsuzsó Pennings; beide bij uitg. De Geus. Tevens verschenen bij De Geus zes vertaalde romans van Tahar Ben Jelloun.