Honger naar helden

De mannen die in 1945 de Amerikaanse vlag op Iwo Jima plaatsen werden helden tegen wil en dank. Negentiende aflevering van een serie over de cultuur van Amerika.

Niemand luisterde naar John Bradley, ook al was hij uitgeroepen tot nationale held. Hij kon zeggen wat hij wilde, het deed er niet toe. Voor Amerika was hij een symbool van uitzonderlijke moed, en daarmee uit. Het verhaal waar hij zijn roem aan dankte was zo aangrijpend, zo overtuigend, dat niet meer telde dat het op een misverstand berustte.

Bradley staat op een van de beroemdste foto's uit de Tweede Wereldoorlog. Zes militairen op een kluitje die een Amerikaanse vlag planten op het Japanse eilandje Iwo Jima, toneel van een gruwelijke veldslag. Uit alle macht duwen de jongens de vlaggenmast overeind. Van sommige zie je alleen de handen die omhoog reiken. Op de voorgrond ligt verwrongen staal, versplinterd hout. De lucht is grauw. Maar de Stars and Stripes wappert.

De foto werd genomen op 23 februari 1945 op Mount Suribachi, het hoogste punt van het eiland. Twee dagen later stond hij voor op The New York Times. De slag om Iwo Jima, die zevenduizend Amerikaanse en 21.000 Japanse militairen het leven kostte, zou nog een maand voortwoeden. Maar deze scène leek Amerika te verzekeren dat de overwinning nabij was. Het beeld was zo krachtig en zo hoopvol, dat het Amerikaanse publiek er massaal verliefd op werd.

Columnisten noemden het meteen `de mooiste foto van de oorlog' en `een meesterwerk vergelijkbaar met Het Laatste Avondmaal van Leonardo da Vinci'. Lezers belden hun krant op voor nabestellingen. Extra edities verschenen met De Foto op extra zwaar papier `geschikt om in te lijsten'. Een beeldhouwer van de Amerikaanse marine, Felix de Weldon, begon onmiddellijk een beeld van de historische scène te maken. En fotograaf Joe Rosenthal was op slag beroemd.

Volgens de pers hadden de mariniers de berg beklommen terwijl de kogels en granaten hen om de oren vlogen. De vlag zouden ze in het heetst van de strijd hebben opgericht. Als je naar de foto kijkt is het niet moeilijk om dat heroïsche verhaal te geloven. Maar de werkelijkheid was anders.

De invasie van Iwo Jima was een afgrijselijke slachtpartij, waarbij iedereen voortdurend in het aanzien van de dood stond. Maar juist het moment dat de beroemde foto laat zien was nogal rustig en onbetekenend. Er werd niet geschoten. De mariniers hadden de top van Mount Suribachi zonder tegenstand kunnen beklimmen. En van historisch belang was het plaatsen van de vlag al helemaal niet: de zes mannen in hun fotogenieke pose zijn bezig om een kleinere vlag te vervangen die eerder op de dag al was neergezet. Meer niet.

Maar het beeld was zo sterk, de feiten deden niet meer ter zake. Voor Amerika, altijd hongerend naar helden, belichaamden de flagraisers moed, eendracht, onverzettelijkheid, liefde voor het vaderland. En dus werden ze op een voetstuk gezet, of ze wilden of niet.

Voor John Bradley, tweede van rechts op de foto, was het een wreed misverstand. Hij had, 21 jaar oud, op het strand van Iwo Jima gezien hoe zijn maten bij bosjes aan flarden werden geschoten. Hoe jonge kerels om elkaar te beschermen hun leven gaven. Hoe ze met ongelooflijke moed op zoek gingen naar de vijand, die zich schuil hield in bunkers en tunnels. En Amerika raakte door dolle van een foto, een foto van een onbenullig moment? Hij was een gewone jongen die zijn plicht had gedaan, zei Bradley, helden waren zij die niet uit Iwo Jima waren teruggekeerd.

De geschiedenis van De Foto, en de mannen die erop staan, vertelt James Bradley (zoon van John) in het boek Flags of our Fathers. Slechts drie flagraisers overleefden Iwo Jima. In opdracht van president Roosevelt werden ze snel naar Amerika teruggevlogen. Het land had helden nodig. Ze moesten op tournee om reclame te maken voor speciale obligaties waarmee de oorlog werd gefinancierd.

En voor ze het wisten liepen ze mee in parades, gaven ze interviews en deelden ze handtekeningen uit, alles onder het logo van de beroemde foto. Ze waren opgeslokt door de Amerikaanse amusementscultuur. Van een van de bloederigste slagvelden van de oorlog waren ze overgeplaatst naar een massale reclame campagne. Ze waren sterren geworden, beroemdheden – maar 's nachts droomden ze van bloed en lijken en afgehakte ledematen en hun gesneuvelde kameraden.

Eén van de drie liet zich de roem graag aanleunen, maar raakte verbitterd toen het hem geen financieel succes bracht. Een ander raakte aan de drank en stierf op z'n 32-ste. En John Bradley deed zijn best om de hele episode te verdringen: na de tournee sprak hij nooit meer over de beroemde foto, ook niet met zijn naaste familieleden. Pas na zijn dood ontdekten zijn vrouw en kinderen dat hij een hoge onderscheiding had gekregen voor wèrkelijk betoonde moed op Iwo Jima. Ook daarover had hij nooit iets gezegd. Hij had geleerd wat het verschil was tussen de feestelijke nep-heroïek die tot de verbeelding van miljoenen spreekt, en echte heldendaden, die voor hem altijd verbonden waren met zijn gruwelijkste herinneringen.

    • Juurd Eijsvoogel