Foute Friezen

Natuurlijk bestaat er ook een (nog schaars bezette) afdeling W.O. II, onderafdeling Friesland in de onderkast. Jasper Keizers recent verschenen Dienen onder het hakenkruis, een studie over Friezen in Duitse krijgsdienst, voegt zich op die plaats probleemloos naast Idaarderadeel in stormgetij, een vrijwel volledig overzicht van de gebeurtenissen in het Friese Grouw tijdens de periode '40-'45. Het zijn allebei mooie werken, waarin aan de kleinste anekdote betekenis wordt toegekend, omdat de samenstellers anders geen boek hadden. Bitter is bijvoorbeeld het verhaal dat ons in Idaarderadeel in stormgetij wordt voorgeschoteld, over de zwakbegaafde boerenknecht Gerben Hallema, met zijn waszak op weg naar het ouderlijk huis. Bij de aanblik van een overvalwagen van de Grüne Polizei smijt hij in paniek de plunje neer, schopt de klompen uit en rent het dorp in. Onmiddellijk wordt een klopjacht ingezet, tot men de voortvluchtige in het vizier krijgt en doodschiet. Die arme, onbeduidende boerenknecht is me altijd bijgebleven, dankzij het inzoomen van de onderkast-auteur.

Ook Jasper Keizer pakt de loep erbij, in zijn studie over Friezen die op meer of minder spectaculaire wijze tijdens de Tweede Wereldoorlog in Duits uniform dienst deden. Als soldaat bij Waffen-SS, Kriegsmarine of Luftwaffe, als geüniformeerde burger bij Wach- und Schutzdienst, chauffeur bij de genie (N.S.K.K), of het Duitse Rode Kruis. Keizer opent met een voor de hand liggende vraag – waarom wilden die Friezen dat? – en nam een mooie brief van een vrijwillige Waffen SS-er op: `Eigenaardig is het toch, dat hier in onze dorpen zoo weinig jongens zijn, die zich voor een ideaal willen inzetten. Zij zien allen slechts hun kleine belangen, een sigaret, de bioscoop en een meisje. En verder je vooral koest houden. Zoo is een groot deel van ons tamelijk raszuivere volk.' Aan de taal te horen is hier een daadkrachtige idealist aan het woord, die zich ongetwijfeld aanmeldde voor frontdienst in Rusland, waar hij volgens de statistieken zestig procent kans had te sneuvelen. Dat heeft hem tenminste de dood van één illusie bespaard: recent onderzoek wees uit dat de raszuiverheid der Friezen een fabeltje is. Van de echte Friezen – ik zeg het met de spijt van de florist die treurt over uitgestorven bloemvariëteiten – is niks meer over. Wat zich tegenwoordig `Fries' noemt is volgens betreffende onderzoeker naneef van Angelen en Denen.

Terug naar de briefschrijvende Waffen SS-man: `Ik kan het gewoon niet hebben dat de Duitsche jongens sterven en de Duitsche moeders lijden moeten, terwijl wij een prettig leventje hebben.' Dat is één reden om je aan te melden. Zucht naar avontuur is een andere. Cornelis Hoekstra uit het Friese Beetgumermolen `wilde wat van de wereld zien en in het buitenland komen', David Eizinga uit Appelscha heeft het over `een feit door mij gepleegd, wat door de politie was ontdekt' en Sieger Lezwijn schreef: `Waar het voor mij tot dusver hard werken en weinig verdienen was, lachte één en ander mij wel toe'. Niet iedereen van het nogal tamelijk raszuivere volk der Friezen was idealist en dat één en ander in de lachende praktijk op dood, lijfschade of detentie achteraf uitliep: als je alles kunt voorspellen is rijk of beroemd worden geen kunst.

Bij het inzoomen mag ik natuurlijk mijn geboortedorp Terwispel niet vergeten. Was er onder mijn dorpsgenoten ook iemand wie `één en ander wel toelachte'? Keizer maakt melding van Sipke Koopmans uit Terwispel, ingelijfd in de SS-divisie Wiking en aan het Oostfront doende als `chauffeur van een menagewagen'. Steeds minder van de Oostfrontvrijwilligers zagen nog iets van de wereld, van Koopmans' Wiking-collega's was nog een derde over. Jacob Groeneveld uit Leeuwarden mocht van geluk spreken. Hij vocht bij Boedapest en getuige een briefcitaat bleef hij altijd vrijwilliger: `Op verzoek nam ik gedurende een dag en een nacht deel aan de strijd, werd daarbij gewond en daarna in verschillende lazaretten verpleegd.'

Vierhonderd Friezen vochten in de Waffen-SS, in de overige Wehrmachtafdelingen en hulpdiensten waren ze dunner gezaaid. De Dokkumer Wachmann Tjeerd Kloosterman bewaakte kledingmagazijnen te Leeuwarden en zag tegen mei '45 de bui hangen: `Het geweer heb ik in school 15 laten staan. Ik ben op 14 april 1945 weggelopen van mijn post.' Zijn Ausweis en zijn uniform verbrandde hij, hij werd na de bevrijding door de Binnenlandse Strijdkrachten in burger gearresteerd.

In een epiloog schrijft Jasper Keizer milde woorden over goed en fout. We mogen niet vergeten, schrijft hij, dat vele foute Friezen aan het Oostfront vochten, minder als fascist dan overtuigd anti-communist. Ook vraagt hij mededogen voor de Friese Waffen SS-ers die hun verdere leven lang gestraft werden met oorlogstrauma's. `Elke dag was ik aan het oorlog voeren', schrijft ene Joop Sopar. `De slag bij Narva werd iedere dag bij mij thuis opnieuw uitgevochten. Mijn drankzucht nam toe, vooral toen mijn vrouw overleed. Echt, ik was en bleef van slag.'

Misschien is Keizers standpunt, vijftig jaar na de oorlog, wel het enige juiste. Na al die jaren kunnen we de foute Friezen vergeven maar niet vergeten: hun daden zijn in Dienen onder het hakenkruis loepzuiver beschreven. Net als van de simpelman Gerben Hallema blijven wij hun onvoorzienigheid gedenken.

Jasper Keizer: Dienen onder het hakenkruis. Friezen in Duitse krijgsdienst. Friese Pers, 160 blz. ƒ37,50

Recht en onrecht

    • Atte Jongstra