Een Belgische fusillade in Afrika

Sinds Laurent Kabila in 1996 opdook uit het maquis van Oost-Congo ligt de naam van Patrice Lumumba weer op de lippen van de Congolezen. Lumumba was de eerste en voorlopig enige democratisch verkozen premier van het onafhankelijke Congo-Zaïre. Kabila stond in 1960 aan de zijde van Lumumba. Maar na de machtsovername van Mobutu in 1965 dook hij onder, zich bekwamend in de smokkel van goud. In 1996 kwam zijn uur. Na een zeven maanden durende opmars van oost naar west werd Kabila de nieuwe chef d'état. Ongetwijfeld wilde hij toen weer aanknopen bij de ideeën van Lumumba, die in 1961 vermoord werd.

Ook in België herleeft de belangstelling voor Lumumba. Op dit ogenblik bereidt een parlementaire werkgroep een commissie voor om de Belgische betrokkenheid bij die moordpartij na te gaan. Dat is het gevolg van de verschijning van een ophefmakend boek van Ludo De Witte, De moord op Lumumba. Daarin wordt betoogd dat de Belgische regering van Gaston Eyskens in 1961 rechtstreeks verantwoordelijk was voor de dood van de Congolese eerste minister.

Die stelling is nieuw. De betrokkenen van toen hebben altijd erkend dat ze Lumumba graag van het politieke toneel zagen verdwijnen, maar de fysieke uitschakeling gold als een opzet van de CIA – dat doet het altijd goed – of als een afrekening onder inlandse leiders in de traditie van de Bantoes. De eindwinnaars hebben hier de geschiedenis geschreven, meent De Witte.

Lumumba werd vergeten. En de zelden uitgesproken intuïtie, die van hem een mythe had kunnen maken – Lumumba als een martelaar van de dekolonisatie – ebde weg. De Witte haalt die intuïtie weer boven. Waarover gaat het? Op 30 juni 1960 werd Congo onafhankelijk, veel vroeger dan door de kolonisator gepland was. Op zich was dat voor België niet dramatisch. Het Congolese parlement zou het moederland allicht niet vergeten, dankbaar voor een halve eeuw ontwikkelingswerk en voor het genereuze gebaar van een vroegtijdige onafhankelijkheid. En bovendien, de legertop van het onafhankelijke land bleef Belgisch. Toch maakte de Belgische koloniale wereld zich zorgen, meer bepaald om de toekomstige regeringsleider. Patrice Lumumba was een aanhanger van het pan-Afrikanisme. Hij geloofde in een Afrika met een eigen, socialistisch getinte agenda.

Redevoering

Befaamd is zijn redevoering op de dag van de onafhankelijkheid. Nadat koning Boudewijn zijn oudoom Leopold en het Belgische beschavingswerk geprezen had, beklom Lumumba tegen de afspraken in het sprekersgestoelte. Hij sprak over het racisme, de dwangarbeid en de mishandelingen die het Congolese volk decennia lang vernederd hadden: de gronden van het volk werden weggeroofd in naam van zogezegd wettelijke teksten die echter enkel het recht van de sterkste uitdrukten. Het was totaal ongepast. Lumumba was begonnen de zuidelijke versie van de geschiedenis van de kolonisatie te schrijven.

Zijn zelfbewuste stijl bezielde het volk van Congo met een gevoel van eigenwaarde. En het ging bij hem om meer dan om retoriek. Er volgden ook daden. Vijf dagen na de onafhankelijkheidsdag muitten de Congolese soldaten. Ze eisten de afrikanisering van de legerkaders en kregen de steun van Lumumba. Er volgde een periode van crisis die in elke studie anders geïnterpreteerd wordt. Maar in elk geval, de zuidelijke provincie Katanga, rijk aan koper, kobalt, uranium en nog zoveel meer, scheidde zich af onder Moïse Tshombe. In het noorden greep Mobutu de macht en werd Lumumba ondanks zijn parlementaire onschendbaarheid in hechtenis genomen. Op 17 januari 1961 werd de premier heimelijk overgevlogen naar Katanga, waar de regering hem haatte. Dezelfde avond werd hij langs een autoweg gefusilleerd in aanwezigheid van Katangese excellenties. Een Belgisch officier gaf het bevel tot vuren.

De Witte voert over de Belgische rol in deze kwestie een discussie met Jacques Brassine, de auteur van Qui a tué Patrice Lumumba? Brassine pleit in zijn conclusie België vrij van elke betrokkenheid. Dat mag niet verbazen. In 1961 werkte hij als ambtenaar in Katanga, in dienst van het Belgische ministerie van Afrikaanse Zaken. Maar bij de publicatie van zijn boek werd Brassine vanuit verschillende hoeken gefeliciteerd met zijn wetenschappelijke grondigheid. Het zag ernaar uit dat de Belgische versie van het verhaal definitief vastlag. Om daarin een bres te slaan, moest De Witte met een stevige argumenten komen.

En die argumenten zijn er. Het belangrijkste machtscentrum in Katanga, toont hij aan, was het Bureau-Conseil van de president. Het bestond uitsluitend uit Belgen, voornamelijk militairen. Tshombe begreep dat Katanga, dat internationaal nauwelijks erkend werd, niet gewapend was om stand te houden tegen de gemotiveerde aanhang van Lumumba. Westerse steun was voor hem noodzakelijk. Dus was hij bereid een westerse koers te varen en de belangen van de grootste Belgische holding de Société Générale te dienen.

In de literatuur wordt altijd de indruk gewekt dat Patrice Lumumba op 17 januari 1961 in de wildernis terechtkwam. In werkelijkheid landde hij in een door Belgen gecontroleerde ministaat. Toch zijn die volgens De Witte niet de hoofdverantwoordelijken voor de executie.

Die eer is weggelegd voor Harold d'Aspremont Lynden. Deze Franstalige edelman was op dat ogenblik minister van Afrikaanse Zaken in Brussel. Hij had relaties aan het hof en in de haute finance. De Belgen in het Bureau-Conseil wisten dat Lumumba zou sterven, als zijn lot afhing van Tshombe en zijn ministers. Ze beseften dat Katanga, dat hen na aan het hart lag, door de terechtstelling van de wettige premier de paria van de internationale gemeenschap zou worden. Ze beschikten over het gezag en de argumenten om de moordlustigen te bepraten. Maar ze kwamen niet tussenbeide, omdat ze de wil van Brussel kenden.

Charisma

Zowel in Leopoldstad (nu Kinshasa) als bij Tshombe had d'Aspremont Lynden op de transfer van Lumumba aangedrongen. De Belgische graaf vreesde zijn ontsnapping. Lumumba getrouwe soldaten controleerden een groot deel van het land. In het parlement bezat de premier nog altijd de steun van de meerderheid. Zijn charisma en zijn populariteit waren groot. De situatie was wankel. Een ontsnapte Lumumba zou een nog grotere aanhang krijgen en nog meer pretentie. Alleen zijn definitieve verdwijning kon de rust doen terugkeren.

In feite oversteeg de affaire-Lumumba de Belgische belangen. Het pan-Afrikanisme, hoe vaag ook van ideologie of programma, had over de dekolonisatie een andere opvatting dan de ex-kolonisatoren. Het succes ervan in Congo kon een verstrekkende beweging op gang brengen die de westerse wereld vreesde. De moord op Lumumba staat daarom als geen ander feit als een symbool voor het illusoire karakter van de dekolonisatie.

Het boek van Ludo De Witte is geen prettige lectuur. Het verdenkt Gaston Eyskens, een van de monumenten uit de Belgische politieke geschiedenis, van passieve medeplichtigheid, al is niet zo duidelijk waarom. Het knaagt aan het imago van Koning Boudewijn. Het gaat uitvoerig in op de dubbelzinnige rol van de Verenigde Naties. Het vertelt uitgebreid de talrijke mishandelingen die Lumumba onderging in het laatste etmaal voor zijn dood.

De kracht van het boek ligt in een meeslepend engagement zonder naïviteit. De Witte blijft bijna het hele boek door helder en consistent denken. Zijn requisitoir is heel overtuigend. Toch bevat ook zijn stelling niet het finale woord. Net als Brassine is ook hij partijdig. Het valt trouwens niet licht zich voor te stellen hoe iemand een boek over dit onderwerp zou kunnen schrijven zonder partijdigheid. Bovendien vertellen de archieven niet alles – hijzelf vraagt zich af of hij tot alle toegang heeft gekregen. Dat dwingt hem tot een paar conjecturen. Waarvan de meest ingrijpende het vermoeden is dat Brussel voor delicate communicatie wellicht de voorkeur gaf aan de telefoon boven de telegraaf. De Witte ondervangt dan een en ander handig met het procédé van de openbare aanklager: `Maar zelfs in de onwaarschijnlijke veronderstelling dat ...'

Als De Witte gelijk heeft, dan blijft de vraag wat België en Congo vandaag met die wetenschap moeten aanvangen. De commissie van experts die nu in België zijn thesis moet gaan wegen, mag geen partijpolitieke belangen dienen, zo wordt gezegd. Inderdaad, haar doel zou verder moeten reiken dan dit ene geval. Het zou voor het land de aanzet moeten zijn van een wending in de koloniale geschiedschrijving. Over de kolonisatie wordt nog altijd verhullend en verbloemend ofwel niet gesproken. België wil vandaag een positieve rol spelen in Centraal-Afrika. Zolang het niet in het reine komt met zijn koloniaal verleden, zal het moeite hebben om dat op een geloofwaardige manier te doen. Maar een onderzoekscommissie die de sereniteit vindt om haar voornemens te handhaven tot in de schriftelijke neerslag van haar conclusies, het zou voor België een primeur zijn.

Ludo De Witte: De moord op Lumumba. Van Halewyck, 430 blz. ƒ48,50

Recht en onrecht

    • Karel Rombaut