Echt gebeurd, maar niet heus

Wat is waarheid? Is een bewering waar, omdat zij overeenstemt met de werkelijkheid, zoals in de wijsbegeerte de realist meent? Of is ze waar, omdat ze past binnen het geheel van onze overtuigingen, en is waarheid dus relatief?

Deze vragen moet iemand zich stellen die licht wil werpen op de problematische verhouding tussen denken en schrijven. De schrijver van een literair werk gebruikt realistische omgangstaal om een wereld op te roepen die beantwoordt aan zijn fictieve beschrijving. Hij doet alsof er een werkelijkheid bestaat met personen en objecten waar de namen en woorden in zijn roman naar verwijzen. De vraag is nu of een roman niettemin iets zegt over de `echte' werkelijkheid. Maakt literatuur, net als filosofie en wetenschap op hun manier, aanspraak op waarheid, of kan ze iets meedelen of oproepen zonder in enig opzicht waar te zijn?

De medewerkers aan de bundel Schrijvende denkers worstelen met zulke vragen over de verhouding tussen literatuur en werkelijkheid. Arnold Heumakers, criticus van deze krant, stelt dat tegenwoordig juist de filosofie en niet de literatuur in een problematische verhouding staat tot de waarheid. `Naamate het geloof in de absolute waarheid afneemt, rukt de literatuur op', schrijft hij. De filosofie zelf is ontmaskerd als een verzameling verhalen. Als er geen absolute waarheid bestaat waarop onze wereld berust, zit er voor de filosofie niets anders op dan ons, in verhalen, een wereld te verschaffen. Dat betekent volgens Heumakers niet dat wij in alle vrijheid onze verhalen kunnen kiezen. Ons vertellen vindt altijd plaats tegen een horizon die zelf pas `in de blik' komt als het verhaal stokt. Hij ziet daarom voor de filosofie de volgende taak weggelegd: `proberen in en tussen de woorden te luisteren naar de zwijgende horizon waaraan alle woorden hun bestaan ontlenen.' De vraag hoe de filosofie deze taak zou moeten uitvoeren en wat het product daarvan zou moeten zijn, laat Heumakers helaas onbeantwoord.

Willem van Reijen geeft een mogelijk antwoord op deze vraag in een bijdrage over Martin Heidegger en Walter Benjamin, over wie hij vorig jaar Der Schwarzwald und Paris. Heidegger und Benjamin publiceerde. De filosoof probeert met behulp van metaforen greep te krijgen op de horizon van onze tijd, die gedomineerd wordt door de technologie. Heidegger is de verdediger van het landleven; Benjamin de filosoof van de metropool. Het verassende is nu dat Heidegger, de filosoof van het nationaal-socialisme, en Benjamin, slachtoffer van de nazi's, dezelfde metaforen gebruiken om greep te krijgen op de moderne tijd. Beiden plaatsen de twintigste eeuw in een historisch perspectief, beiden wachten op een toekomstige God (Benjamin op de Messias en Heidegger op het Zijn) en beiden kiezen als methode voor de hermeneutiek. Die keuze biedt tevens de verklaring voor hun overeenkomsten: hermeneutiek houdt in dat `wij niet de taal spreken, maar dat de taal ons spreekt.'

Zo geformuleerd houdt de keuze voor de hermeneutiek in dat we het Verlichtingsideaal moeten opgeven van een autonoom subject dat in vrijheid beweert dat iets waar is. Maar als we dat zouden doen, is er dan nog wel een criterium op grond waarvan we kunnen zeggen of iemand oprecht is? Rudy Kousbroek stelt in een polemisch essay terecht vast dat aan de Heideggeriaanse hermeneutische methode `iets onoprechts' kleeft. Al die filosofen die beweren dat er geen objectieve werkelijkheid bestaat en dat waarheid relatief is, loochenen iets wat zij diep in hun hart eenvoudigweg geloven.

In zijn bijdrage `Filosofie is ook leuk' stelt Jan Bor daarentegen dat de waarheid gedemocratiseerd is. Hij meent zelfs dat de waarheid van theorieën deel uitmaakt van een taalsysteem. Dat is een vergissing. Ons taalsysteem bepaalt, bijvoorbeeld, of we objecten meten in yards of in meters. Als die keuze eenmaal is gemaakt, bepaalt de buitentalige werkelijkheid vervolgens onontkoombaar hoe lang een concreet object is.

Het praten over woorden en hun betekenis moet altijd scherp onderscheiden worden van praten over dingen en over waarheid. In zijn essay `De voertaal van het denken?' doet Geerten Meijsing dat niet. Hij verwart bovendien het gebruik van het woordje `is' als koppelwerkwoord met dat als identiteitsteken en haalt het noemen van zinnen door elkaar met het gebruiken van zinnen. Door dergelijke begripsmatige verwarringen verliest hij volledig de greep op zijn vraagstelling of literaire kunstgrepen een cruciale rol spelen in de wetenschap en de wijsbegeerte.

Ondanks de realistische toon van het voorwoord en de waarschuwende woorden van Kousbroek is het opvallend hoe gemakkelijk de meeste auteurs in de bundel `de objectieve werkelijkheid' en `de waarheid' afdoen als gedateerde begrippen. Men realiseert zich kennelijk niet dat wij zonder die begrippen niet zouden kunnen denken en dus niet zouden kunnen leven. Als de waarheid relatief zou zijn, zou een instituut als de rechtspraak, bijvoorbeeld, onmogelijk zijn.

Het is dan ook onbegrijpelijk dat de schrijver en criminoloog Herman Franke in zijn Kellendonklezing De ironie van de romantiek schrijft dat `elke werkelijkheid voorwaardelijk en illusoir is', dat `de werkelijkheid voor ons allen een werkelijkheid (is) van ieder voor zich', en met instemming Kierkegaard citeert: `Subjectiviteit is de waarheid.'

Franke wijst literatuur af die de werkelijkheid net zo realistisch wil beschrijven als de journalistiek dat doet. Hij pleit voor een `romantisch realisme dat de werkelijkheid ontsluit en het denken en voelen privatiseert.'

In haar afwijzing van de ware werkelijkheid lijkt deze literatuuropvatting postmodern, maar door zo nadrukkelijk de binnenwereld van de geest te plaatsen tegenover de door de media gemanipuleerde en door onze zintuigen waargenomen buitenwereld, hoort zij eerder thuis in de zeventiende eeuw. De sceptische gedachte dat de ware werkelijkheid niet is, zoals wij die waarnemen, komt voort uit de fysica van Descartes. De wetenschap vertelt ons dat de tafel bestaat uit moleculen, maar wij zien een massief eikehouten gevaarte. Blijkbaar bedriegen onze zintuigen ons en moeten we de waarheid niet in de buitenwereld, maar in ons binnenste zoeken.

De afgelopen decennia is in de filosofie dankzij Wittgenstein het inzicht doorgebroken dat de werkelijkheid waarin wij leven onvermijdelijk ons denken bepaalt. Het is een misvatting te denken dat we ons kunnen opsluiten in een gedachtenwereld die wèl reëel zou zijn, terwijl de waarneembare werkelijkheid een illusie is. Franke's opvatting zou geloofwaardiger worden, wanneer hij dit onderscheid tussen een kenbare binnenwereld en een onkenbare buitenwereld zou opgeven, en zou uitleggen waarom hij, ondanks zijn subjectieve relativisme, meent dat literatuur een werkelijkheidsclaim kan doen. Uitroepen dat de werkelijkheid niet bestaat en dat waarheid relatief is, rechtvaardigt op geen enkele manier de intuïtie dat een sprookje ons inzicht kan geven in wie wij zijn en hoe wij leven; kortom, hoe literatuur waar kan zijn.

Toef Jaeger en André Klukhuhn (red.): Schrijvende Denkers. De Arbeiderspers, 243 blz. ƒ39,90

Herman Franke: De ironie van de romantiek. Kellendonklezing 2000. KU Nijmegen, 28 blz. ƒ12,50.

Te bestellen bij KU Nijmegen, de heer Kuling, tel. 024-3615674.

Tekst en waarheid

    • Menno Lievers