Denksport voor hemelbestormers

Ze gelden wel als het begin van de moderne poëzie, de `Illuminations' die Arthur Rimbaud omstreeks 1874 schreef en die zonder zijn medeweten werden uitgegeven door zijn compagnon Verlaine. Maar hoe serieus moet je deze 54 teksten en tekstjes nemen? Paul Claes vertaalde ze en schreef er uitleg bij die vaak komischer is dan de teksten zelf.

Hier volgt iets van Arthur Rimbaud. Een gedicht is het niet, althans niet volgens de gebruikelijke definities. Twee zinnen zijn het, en zelfs dat eigenlijk nog niet eens. Beter is het te zeggen dat wij hier met een serie uitroepen van doen hebben. Eenendertig woorden, in het Frans. Zevenentwintig in het Nederlands. Geen titel.

O dat asgrauwe gezicht, dat ruige schild, die kristallen armen! Loop waarop ik mij moet werpen dwars door het gewoel van de bomen en de ijle lucht!

Het heeft wel iets, dit korte tekstje: iets grilligs, iets geks, iets dichterlijks. En ook: de charme van het fragmentarische, de schoonheid van de scherf. Maar waar zou het over gaan? Er is sprake van een gezicht, een schild, armen en een loop. Moeten die letterlijk worden genomen of niet? Is dit een portret van een man, een vrouw, een ridder, een dode, een levende? Of is het allemaal symbolisch voor, zeg, een kasteel in het bos, een opkomende donderbui of, ook bijna altijd goed, een zonsondergang misschien? Ik zou het niet weten.

Hier volgt nog zo'n tekstje, ook mooi, en ook wel dichterlijk, en mysterieus:

Ik heb koorden gespannen van kerktoren tot kerktoren; bloemslingers van raam tot raam; gouden kettingen van ster tot ster, en ik dans.

En nog een, uit dezelfde reeks `Zinnen':

Terwijl de staatsgelden bij feesten van broederlijkheid wegvloeien, luidt een klok van roze vuur in de wolken.

Het zijn voorbeelden van wat Rimbaud met een eigen term `illuminations' noemde. Het gaat om 54 teksten en tekstjes, geschreven omstreeks 1874, en pas in 1886 zonder zijn medeweten uitgegeven door Verlaine. De titel kan op verschillende manieren worden uitgelegd. Wilde Rimbaud ermee verwijzen naar ingekleurde gravures of naar boekverluchtingen? Naar feestverlichting? Of juist naar geestelijke verlichting, in de vorm van visioenen? Of naar van alles wat, zoals deze 54 illuminaties ook van alles wat bevatten en onderling nogal van karakter verschillen? Er zijn korte wonderlijke prozagedichten bij, maar ook langere stukken met een min of meer verhalende structuur. Er zijn reeksen bij waarin met enige moeite een overkoepelend thema valt aan te wijzen, of een geval van allegorie, maar ook vreemde fantastische visioenen zonder logische samenhang en met de ingewikkeldste beelden: `Voor Helena spanden de siersappen in de maagdelijke schaduwen samen met de onbewogen lichtpunten in de astrale stilte.' Maar tot deze illuminaties in poëtisch proza behoort ook een tekst die wij nu een gedicht zouden noemen. Het geldt als het eerste voorbeeld van een vrij vers in de Franse literatuur, zonder rijm en zonder maat:

Zeegezicht

De karren van zilver en koper –

De boegen van staal en zilver –

Karnen het schuim –

Woelen de wortels van de bramen op.

De stromingen van de heide

En de weidse wagensporen van de eb

Wijken kringsgewijs naar het oosten,

Naar de pijlers van het woud –

Naar de stammen van de pier,

Bij de spits aangebeukt door draai-

kolken van licht.

Onder het mom van een zeegezicht wordt hier een landschap beschreven – en omgekeerd. Met de karren van zilver en koper kunnen schepen zijn bedoeld, gezien in het licht van de zon bijvoorbeeld, maar ook boerenkarren. De schepen snijden door het water als ploegen door het land, maar evengoed kun je zeggen dat de ploegen hier met schepen worden vergeleken. De wagensporen zijn de schuimsporen van het schip, of de sporen van de karrewielen. En met de pijlers van het woud zijn bomen bedoeld: gewone bosbomen, maar misschien ook wel de stammen waarvan de zeepier is gemaakt.

`Zeegezicht' is een aanschouwelijk voorbeeld van wat Rimbaud in deze Illuminations vaker doet, maar dan ingewikkelder en vreemder. Hij vermengt proza en poëzie, hij laat genres in elkaar overlopen, hij speelt een spel met woorden en betekenissen en hij laat graag in het midden wat werkelijkheid is en wat beeld. Hij heeft daar, zo weten we, ook wel een bepaalde poëticale bedoeling mee gehad: verzet tegen het klassieke realisme waarin de poëzie de natuur moet imiteren, streven naar nieuwe taal en nieuwe vormen, naar een `beredeneerde ontregeling van alle zintuigen', zoals het in zijn `Brief van de Ziener' heette. En dat allemaal weer op grond van het verlangen naar een nieuwe blik op de wereld, minder alledaags en minder vanzelfsprekend, meer fantastisch en feeëriek.

En waar dat verlangen weer uit voortkwam? Grillig talent? Onnavolgbare genialiteit? Gebruik van zekere roesmiddelen? Of gewoon dwarsigheid van een lastige jongen? De ziener en dichter was per slot van rekening nog maar twintig jaar toen hij zijn illuminaties schreef en aan Verlaine overhandigde, zonder er daarna ooit nog naar om te zien.

Ze zijn in de loop der tijd gaan gelden als revolutionair, als het begin van de moderne poëzie, als de bron van alle dichterlijke experiment, als een eerste gedurfde verkenning van de irrationele kanten van het bestaan, en ook wel meteen als een grens. Hier is een dichter aan het woord die niet meer namens zichzelf spreekt, maar slechts een podium is waarop allerlei stemmen weerklinken. Dit is bovendien poëzie die niet meer naar een duidelijk waarneembare realiteit verwijst; het is poëzie waarvan men is gaan zeggen dat zij een eigen werkelijkheid creëert. En zo is er een waas omheen komen te hangen, om Rimbaud en om zijn Illuminations: de mythe van voortdurende vernieuwing, hemelbestorming, de dichter als komeetachtige verschijning, de voorloper van allerlei twintigste-eeuwse experimentele bewegingen, de pionier van de autonomie.

Het klinkt allemaal erg sympathiek en het is in theorie erg interessant en de naam van Rimbaud wordt in literair-historische beschouwingen dan ook steevast genoemd, maar literair-historisch staat evenzeer vast dat hij, althans in Nederland, door de verschillende vernieuwingsbewegingen nooit goed gelezen is: door de Tachtigers niet, door de surrealisten niet, door de Vijftigers niet, en door de Maximalen ook niet. Hij gold en en geldt als norm, en misschien wel als ideaal, maar toch is en wordt er door dichters nauwelijks met hem gedweept.

Dat zou wel eens kunnen komen doordat zijn poëzie eenvoudigweg te bizar en te moeilijk is. Zo Rimbaud al uitnodigt tot navolging, dan toch eerder navolging in de vorm van een vertaling. In 1975 en 1979 verschenen Hans van Pinxterens vertalingen van Rimbauds prozagedichten, herzien en samengevoegd in een nieuwe uitgave in 1986. Nu is er, bij dezelfde uitgever, opnieuw in een tweetalige editie, maar van nog veel meer toelichtingen voorzien, een nieuwe vertaling van de Illuminations verschenen van de hand van Paul Claes, twee jaar nadat hij de Gedichten had vertaald. Dit najaar zullen de prozagedichten uit Een seizoen in de hel volgen. Intussen verscheen in de liefdespoëziereeks van Bert Bakker een Rimbaud-deeltje met 22 gedichten, waarvan ook zes illuminaties, in een vertaling van Hilde Keteleer.

De Rimbaud-vertaling van Paul Claes heeft nog het meest weg van een studie-uitgave. De teksten worden voorafgegaan door 25 bladzijden algemene inleiding en gevolgd door 70 bladzijden aantekeningen waarin op alle aspecten van de Illuminations wordt ingegaan. Van het handschrift en de datering tot en met de stijl (en wel op grafisch, fonisch, lexicaal, syntactisch, semantisch, referentieel en communicatief niveau) en de interpretatie, te onderscheiden in een biografische, literair-historische, allegorische, thematische, structurele, post-structuralistische en hermetische interpretatie.

Zo wordt het studieuze lezen bevorderd, eerder dan het zuiver literaire genieten, en dat is ook waar Claes op uit is. Hij ziet zijn commentaar nadrukkelijk als `een noodzakelijke aanvulling' op zijn vertaling. Nog beter zou je kunnen spreken van het commentaar als een tweede vertaling, want meer dan eens geeft Claes in zijn aantekeningen een uitleg die het betreffende prozagedicht in de schaduw stelt. Na zijn ingenieuze analyse en decodering blijken de woorden en zinnen een boodschap te bevatten die men op grond van aandachtige lezing niet voor mogelijk had gehouden.

De hierboven geciteerde serie aanroepingen van het asgrauwe gezicht, het ruige schild en de kristallen armen blijkt een zogeheten blazoengedicht te zijn waarin een vrouwenlichaam wordt geschetst: met een asgrauw gezicht, schildvormig schaamhaar en kristallen armen, namelijk. Het zou kunnen, maar hoe gaat het dan verder? Wat te doen met die tweede zin, de aanroeping van de loop tussen de woelende bomen en de ijle lucht? Claes weet het ook niet meteen. Hij spreekt van een `moeilijk te duiden reactie van de spreker: gaat het om een gefantaseerde coïtus of om een terechtstelling?' Maar Claes wil ook niet uitsluiten dat het hier om een hemelverschijnsel gaat: het asgrauwe gezicht met zijn ronde loop-vorm is dan de maan (zie ook de vorm van de beginhoofdletter O), en de kristallen armen verwijzen dan `wellicht' naar de heldere hemel. Het ruige schild, al dan niet van schaamhaar, doet in deze lezing dan weer even niet mee.

Ook de geciteerde zin over Helena, voor wie de siersappen in de maagdelijke schaduwen samenspanden met de onbewogen lichtpunten in de astrale stilte, bestaat volgens Claes bijna geheel uit versleutelde beweringen. En hij geeft ze ook, één voor één. Met Helena is eigenlijk Selene, de maangodin, bedoeld. Met de sappen zijn de planten aangeduid. Met de lichtpunten de sterren. En zo verder. Woord voor woord blijkt er iets anders te staan dan er staat. Van dit soort verregaande interpretaties wemelt het in Claes' aantekeningen. Ze gaan ook nog eens vergezeld van een algemene karakterisering van iedere illuminatie, een opsomming van parallellen en modellen, een referentiële en thematische analyse en een opsomming van stilistische bijzonderheden.

De uitleg is uitputtend, maar daardoor vaak ook erg interessant of onbedoeld komisch – en eerlijk gezegd meestal interessanter en komischer dan de teksten van Rimbaud zelf. Dit soort voetnoten lees ik altijd graag: `De opgehaalde sluisdeur suggereert dat de sluis niet werkt en de sluiswachter afwezig is.' Of deze: `Volgens Delahaye denkt Rimbaud in de tweede alinea aan de villa van ene generaal Noiset aan de route de Flandre, bij Charleville.'

Ontroerende volledigheid. Lijkt de dichter ergens de drugsroes te verheerlijken, dan geeft Claes meteen een bondig overzicht van de rol die drugs in het leven van Rimbaud hebben gespeeld. Wordt er geciteerd of gealludeerd, dan geeft Claes de bron, plus de vertaling, plus de uitleg. Zijn er tot nu toe acht verschillende interpretaties van een gedicht voorgesteld, dan geeft hij ze alle acht, rustig, achter elkaar. En dat doet hij ook als het absurd wordt: als voor een en hetzelfde prozagedicht in de loop der tijd bijvoorbeeld drie verschillende biografische verklaringen zijn aangedragen.

Alles staat erin – en alleen al daarom zal deze Illuminations-uitgave nog lang onmisbaar zijn voor wie zich in Rimbaud zal willen verdiepen. Maar tegelijk geven al die aantekeningen ook meteen het probleem van deze prozagedichten aan. Ze kunnen eigenlijk alleen maar bestaan, gelezen en enigszins begrepen worden als ze zoals hier van kaders en uitleg worden voorzien. `Slechts weinig zinnen in Illuminations zijn geheel letterlijk te lezen, zodat ze alleen na ontcijfering leesbaar worden', zegt Claes. En: `In plaats van herkenning wacht de lezer slechts vervreemding.' Hij geeft, bijna badinerend, een hele reeks cryptogram-omschrijvingen op, allemaal ontleend aan deze prozagedichten, om te laten zien dat er een duidelijk Denksport-element in zit. `Voor wie niet van puzzelen houdt, moet de bundel dan ook een gesloten boek blijven.' Hij voegt eraan toe dat uit de secundaire literatuur gemakkelijk een `sottisier' zou zijn samen te stellen, een verzameling van dwaze uitspraken die er in de loop der tijd over deze gedichten zijn gedaan.

En zo bleef er voor mij van begin tot eind iets vreemds kleven aan deze Illuminations. Door een enkel fragment werd ik getroffen, zoals door dit mooie, zuivere verslag door een kind van een vreemde wandeling door een bos:

In het bos is er een vogel, als hij zingt sta

je stil en bloost.

Er is een klok die niet slaat.

Er is een kuil met een nest vol witte

dieren.

Er is een kathedraal die daalt en een

meer dat stijgt.

Er is een wagentje dat in het struikgewas

is achtergelaten of met linten versierd

de weg af snelt.

Er is een troep verklede toneelspelertjes

die je door de boszoom heen op de weg

ziet lopen.

Er is tenslotte, als je honger en dorst

hebt, iemand die je wegjaagt.

Maar voor de rest: vreemde tekst, vreemde uitleg. Het vreemde contrast tussen wild, ongebreideld, experimenteel dichten en schools, uitputtend, academisch commentaar. Het vreemde besef dat die prozagedichten zonder dat commentaar helemaal aan hun lot zijn overgelaten – zoals in het bundeltje van Keteleer en Holvoet-Hanssen. De vreemde gedachte dat je het gedicht niet eens meer hoeft te lezen, omdat ieder woord toch weer voor iets anders staat. De vreemde omstandigheid dat er dan ook niet meer over de kwaliteit van een vertaling gesproken hoeft te worden. Wat is een letter O nog waard als er zowel een gezicht als een geweerloop als een lid in erectie als een kanon als een maan mee bedoeld kan zijn? Het vreemde vermoeden dat Rimbaud zelf zich, honderdvijfentwintig jaar na het schrijven ervan, een kriek zou hebben gelachen om al dit getob en gestudeer – en om de slotzin van Claes' inleiding: `De echte lezing van Illuminations moet nog beginnen.'

Arthur Rimbaud: Illuminations. Uit het Frans vertaald door Paul Claes. Athenaeum-Polak & Van Gennep, 208 blz. ƒ47,50

Arthur Rimbaud: Ik heb de zomerdageraad omarmd. Tweeëntwintig liefdesgedichten en twee brieven. Keuze en eindredactie Peter Holvoet-Hanssen, vertaald door Hilde Keteleer. Bert Bakker, 72 blz. ƒ14,90

    • Guus Middag