De werkelijkheid kan altijd scherper

Voor zijn debuutbundel Ogentroost werd Herman Leenders in 1993 bejubeld en dubbel bekroond. En ook Landlopen (1995) kreeg lovende besprekingen, zij het met de zure kanttekening dat de verzen in deze tweede bundel minder strak in het pak zaten dan in Ogentroost. Maar de nonchalante constructie ten spijt, bleek het dichterschap van Leenders toch weer overtuigend. De plastiek van zijn beelden bleef volslagen eigen, zowel in zijn blikbreedte als in de nuchtere vergelijkingen. En in Leenders' wat rauwe beeldtaal werd niet, zoals bij veel andere dichters, het vreemde dichterbij gebracht, maar gebeurde het omgekeerde, want werd het vertrouwde op afstand gezet.

De poëzie fungeerde hier, aldus de flaptekst van Landlopen, als `een museum voor afgedankte herinneringen'.

In Speelgoed richt Leenders nieuwe vitrines voor dit museum in. Net als in zijn vorige bundels zet hij telkens weer een onbeholpen eenling in vijandige omgevingen. Het is maar een spelletje, beweert de titel van de bundel – net zoals de reeks titels `Biljart', `Kinderspel', `Stoelendans' en `Jongen die in boom klimt' – maar van vers tot vers blijkt het menens. En in de hitte van dat spel is er geen plaats voor illusies, is er hooguit een zinloze buitenkant, zoals in het gedicht `Stijl':

De vaas bleef bewaard

sierlijk en versierd, honderden jaren,

niet voor de bloemen of het water.

De kast niet voor het hout noch voor de

inhoud.

De schaal niet voor het fruit

en het kasteel niet om in te wonen.

Evenmin als er van jou iets

overblijft in deze woorden.

Dit vers staat in de laatste afdeling van de bundel. Het verdient aanbeveling om daarmee te beginnen – dus van achteren naar voren te lezen – want bij de dertien laatste verzen zijn de tien beste van Speelgoed. De eenenveertig eerste pagina's van de bundel kunnen me eerlijk gezegd gestolen worden. Te dikwijls overheerst daarin een larmoyante ondertoon, die doet vermoeden dat de bron van veel gedichten zelfbeklag is. En waar die toon ontbreekt, steekt het geraamte vaak zo nadrukkelijk door de woorden heen dat het geen poëzie meer kan worden. Slechts het slotvers van de afdeling `Kinderspel' springt er positief uit. `Oogmeester' heet dat gedicht.

Het beschrijft een bezoek aan de oogarts die, op zoek naar de juiste sterkte voor een bril, steeds zwaardere glazen in het montuur steekt `opdat', stellen de slotregels `ik het eindelijk zou weten. / Dat het altijd scherper kan / tot het niet meer is te verdragen: // de werkelijkheid die in je ogen snijdt als glas.'

In de dertien laatste verzen is Leenders op z'n sterkst waar hij de werkelijkheid speels naar zijn hand zet. Heel letterlijk en nadrukkelijk gebeurt dat in het titelgedicht van de afdeling, `Jongen die in boom klimt'. Huis, tuin, boom en jongen worden regel voor regel in taal en dus ook in beeld gebracht, en dan regel voor regel weer geschrapt tot slechts `jongen die in boom klimt' overblijft. Het is niet meer dan een taalspelletje, maar het werkt verhelderend omdat het laat zien volgens welk principe ingewikkelder verzen, zoals `Bloeiende amandeltakken' en het geciteerde `Stijl', zijn opgebouwd.

Het is een intrigerend spel met wat gezien is, of gezien kan worden. En bij dat alles toont Leenders zich soms weer eventjes een meester in de vergelijking. Heel lyrisch soms, zoals in `Liedje':

De zon staat in een badjas van sluimer-

wolken.

De piano trippelt als een meisje

op blote voetjes naar het toilet.

Het water begeleidt haar als een orkest.

Een stem als een fijn potloodstreepje

onder de tekst.

Je hoort het niet.

De muziek gaat zitten als een meeuw.

Daarna geloof je niet

dat ze ooit gevlogen heeft.

Dat is mooi gezongen. Los van treurige beslommeringen, los van zelfbeklag. Het is als met `De kleine zanger'. `Hij zingt', dichtte Leenders daarover, `ook als er niemand luistert / al kan hij er niets mee bereiken.' Gekooid dus, maar puur zanger. In die rol is Herman Leenders een dichter die ik lezen wil.

Herman Leenders: Speelgoed. De Arbeiderspers, 59 blz. ƒ29,95

Nederlandse literatuur

    • Arie van den Berg