De strijd om `Godsvertrouwen'

De Nederlandse overheid wil bij de teruggave van door de nazi's geroofde kunstwerken de fouten van na de oorlog zo veel mogelijk herstellen. In Rotterdam wordt het overheidsbeleid in de wind geslagen.

De tekening heet Godsvertrouwen. Ze toont een Zeeuwse boer die voor de kerktoren van Westkapelle deemoedig omhoog blikt. Jan Toorop, die de tekening in 1907 maakte, verkocht die kort daarna aan een bevriend Duits-joods echtpaar, Ernst en Gertrud Flersheim. Met hun kinderen brachten de Flersheims aan het begin van de eeuw de zomers door in Domburg waar ze vaak met Toorop optrokken. Behalve Godsvertrouwen bezaten de Flersheims nog een aantal schilderijen en tekeningen van Toorop en ook schetsen die hij tijdens hun gezamenlijke wandelingen op Walcheren had gemaakt.

Ernst Flersheim (1862-1944) hoorde als zakenman en mecenas van het Städel Museum voor de oorlog tot de vooraanstaande burgers van Frankfurt. Hij verzamelde schilderijen, sculpturen en porselein. In de jaren dertig, toen de joden het in nazi-Duitsland steeds moeilijker kregen, verhuisden de Flersheims naar het buitenland. Hun dochter Margarete ging met haar man Rudolf Wertheim en hun zoontje in 1936 naar Brussel. Dochter Edith, haar man George Eberstadt en hun kinderen vertrokken naar Londen. Als laatsten verlieten in 1937 ook Ernst en Gertrud Flersheim Frankfurt. Zij vestigden zich in Amsterdam.

Edith en haar gezin zouden de enigen zijn die de oorlog overleefden. Toen de Duitsers Brussel binnentrokken, pleegde Margarete zelfmoord. Haar man en haar zoon kwamen in een concentratiekamp om het leven. Ernst en Gertrud Flersheim waren in 1943 via Westerbork naar Bergen-Belsen gebracht, waar ze in 1944 stierven.

Ernst Flersheim had bij zijn vertrek uit Frankfurt in 1937 de meeste werken van Duitse kunstenaars uit zijn collectie laten veilen. Het overige deel, met schilderijen van o.a. Gauguin, Amman, Toorop en Zuluaga, liet hij evenals zijn inboedel opslaan in Frankfurt, vermoedelijk met de bedoeling om deze spullen later, als hij en zijn vrouw een huis in Amsterdam hadden gevonden, te laten overbrengen. Maar de kunstwerken en de inboedel werden in beslag genomen door de Gestapo en omstreeks 1940 door de nazi's verkocht.

Kort na de oorlog wendden verschillende Nederlandse fiscale instanties zich tot Edith Eberstadt-Flersheim in Londen. Als erfgename van het echtpaar Flersheim uit Amsterdam moest ze aan de Nederlandse staat successierechten betalen over de banksaldi van haar ouders en ook werd onderzocht of er misschien nog achterstallige belasting moest worden voldaan. Toen het echtpaar Flersheim in 1943 op transport werd gesteld stond er nog een bedrag van een paar duizend gulden op hun rekening bij de Liro-bank waar alle joden in Nederland tijdens de oorlog hun vermogens moesten onderbrengen, en ze hadden nog wat effecten bij een New-Yorkse bank.

In de jaren vijftig zouden Edith en George Eberstadt opnieuw met Nederlandse instanties te maken krijgen. In Duitsland hadden ze Wiedergutmachung aangevraagd voor de door de nazi's geroofde bezittingen van hun ouders. Omdat de kunstwerken die de Gestapo geconfisqueerd had zoek waren, konden ze daarvoor alleen een financiële compensatie krijgen en die werd hun ook toegekend. Maar terwijl de Wiedergutmachungsprocedure in gang was, ontdekte een nicht van Edith Eberstadt in 1952 een van de kunstwerken, de tekening Godsvertrouwen, in het Rotterdamse Museum Boijmans. George Eberstadt liet de autoriteiten in Duitsland weten dat de tekening gevonden was, dat zijn vrouw die graag terug wilde hebben en dat ze daarvoor dus geen Wiedergutmachung vroeg.

Voor hij een verzoek tot teruggave indiende, onderzocht George Eberstadt hoe de tekening, nadat die door de nazi's in Frankfurt was verkocht, in Rotterdam was beland. Hij kwam er al snel achter dat de Haagse kunsthandelaar D'Audretch de tekening in oktober 1942 gekocht had van een Duitser, een zekere Lintergern. De koop vond plaats in het Amsterdamse Carltonhotel dat in de oorlog dienst deed als een hoofdkwartier van de Duitse Luftwaffe. D'Audretch attendeerde meteen de directeur van Museum Boijmans, Dirk Hannema, op zijn nieuwe aanwinst. Hannema wist de Rotterdamse zakenlieden W. van der Vorm en H. van Beek voor het werk te interesseren en de tekening werd door hen aangekocht. In januari 1943 schonken Van der Vorm en Van Beek Godsvertrouwen aan de Stichting Boijmans die kunst verzamelde ten behoeve van het museum.

Eberstadt richtte zijn verzoek tot teruggave in 1953 zowel tot de Stichting Boijmans (die eigenaar was van de tekening) als tot het museum, waarvan nu J.C. Ebbinge Wubben directeur was. Wat zich vervolgens in Rotterdam achter de schermen afspeelde, merkte Eberstadt niet. Hij kreeg in 1954 slechts te horen dat de Stichting de tekening niet wilde teruggeven, dat hij zijn verzoek eerder had moeten indienen, voor 1 juli 1951, en dat de termijn nu verstreken was.

Het besluit om de teruggave te weigeren was genomen in een vergadering van het stichtingsbestuur van 15 april 1954. In dat bestuur zaten onder anderen Dirk Hannema - de vroegere directeur van Museum Boijmans die wegens zijn collaboratie met de nazi's in 1945 was ontslagen - Ebbinge Wubben en de burgemeester van Rotterdam, G.E. van Walsum. Uit de correspondenties die de Stichting, het museum en de burgemeester over deze zaak voerden, valt op te maken dat Ebbinge Wubben de redelijkheid van het verzoek tot teruggave wel inzag, maar zijn advies werd niet opgevolgd.

Edith en George Eberstadt lieten het er niet bij zitten. Ze wendden zich nu tot het gerechtshof in Frankfurt. Omdat de kunstcollectie daar door de nazi's geroofd was, was de rechter van de Wiedergutmachungskammer van het Landgericht in Frankfurt bevoegd om een uitspraak te doen over de teruggave van de tekening. Volgens een door de Geallieerde bezettingsmacht in Duitsland uitgevaardigde `Restitutiewet' zouden uitspraken over teruggave-kwesties ook bindend zijn voor buitenlanders.

Nederland erkende de wetten van de Geallieerden. Zo niet Rotterdam. Toen de Frankfurtse rechter in 1955 aan de Stichting Boijmans liet weten dat de tekening terug moest naar Edith Eberstadt en de Stichting ook veroordeelde tot betaling van de proceskosten, werd dat vonnis door burgemeester Van Walsum hooghartig terzijde geschoven. Hij betoogde dat volgens de Nederlandse wet binnen het Koninkrijk vonnissen van vreemde rechters niet ten uitvoer hoeven te worden gelegd en dat Edith Eberstadt maar naar een Nederlandse rechtbank moest stappen. De brieven die de Rotterdamse burgemeester en de Stichting Boijmans tussen 1955 en 1958 ondermeer aan de Frankfurtse rechtbank schreven, zijn van een formalistische gevoelloosheid. Het is dan ook wel voorstelbaar dat de Eberstadts hun pogingen de tekening weer in hun bezit te krijgen in 1958 maar opgaven.

Memoires

Walter Eberstadt (78) is bankier in New York. Twee jaar geleden, terwijl hij bezig was om voor zijn kinderen zijn memoires te schrijven, stuitte hij op een brief uit 1958 van zijn vader George Eberstadt die in 1962 was overleden. In die brief klaagde hij bitter hoe de Stichting Boijmans de claim op de tekening van Toorop had afgewezen. Walter Eberstadt sprak in 1998 met een Nederlandse vriend over de brief en die vertelde hem dat de van de joden geroofde `oorlogskunst' ook in Nederland weer een actueel onderwerp was sinds de Nederlandse kranten in 1997 hadden geschreven dat de teruggave van deze kunstwerken aan de rechtmatige eigenaren na de oorlog veel te wensen overliet.

De Nederlandse regering wilde er alles aan doen om de fouten van het naoorlogse rechtsherstel alsnog goed te maken. Voor vermiste kunstwerken konden opnieuw claims worden ingediend en de regering had laten weten dat de verjaring geen rol zou spelen. Als er een vermoeden was dat uit Duitsland gerecupereerde kunstwerken die in het bezit waren gekomen van het Rijk aan joden hadden toebehoord, dan zouden de nabestaanden door het ministerie van OCW zelfs actief worden opgespoord. Bovendien werden nu alle 4000 kunstvoorwerpen die de Nederlandse staat aan de oorlog had overgehouden op hun herkomst onderzocht, zodat eventuele claims beter konden worden behandeld. Ook de Nederlandse musea deden een grootscheeps `zelfonderzoek' naar de herkomst van de kunst uit hun collecties die tussen 1940 en 1948 was verworven.

Aangemoedigd door al deze berichten besloot Walter Eberstadt opnieuw een poging te wagen de tekening Godsvertrouwen, die hij zich nog goed kon herinneren uit het huis van zijn grootouders Flersheim, terug te vragen. In januari 1999 diende hij een claim in bij de Stichting Museum Boijmans van Beuningen, zoals de naam nu luidt. Intussen was Eberstadt erachter gekomen dat zich in de Nederlandse musea nog meer werken bevinden uit de collectie van zijn grootouders: twee schilderijen, eveneens van Jan Toorop: De Thames bij London Bridge (1885), in Museum Boijmans van Beuningen en eigendom van de Gemeente Rotterdam, en Het gebed voor de maaltijd (1907) in het Zeeuws Museum te Middelburg. Ook voor deze werken diende Eberstadt in januari 1999 een claim in. (Zie kader).

De Stichting Boijmans van Beuningen wees de claim op Godsvertrouwen vorig jaar oktober af. De voorzitter van het stichtingsbestuur, de Rotterdamse kunstverzamelaar en Caldic-directeur J.N.A. van Caldenborgh liet Eberstadt weten dat de Stichting wel bereid was de tekening voor de duur van zijn leven aan hem uit te lenen.

In zijn New-Yorkse appartement tegenover Central Park vertelt Walter Eberstadt, wiens gezicht een opvallende gelijkenis vertoont met dat van de dichter Adriaan Roland Holst, dat het voorstel om de tekening aan hem uit te lenen, hem nog meer gekrenkt heeft dan de afwijzing van de claim: ,,Uit dat aanbod bleek dat mijn aanspraak op Godsvertrouwen wel erkend wordt maar dat de stichting weigert om daaraan de enig logische consequentie te verbinden: teruggave.'' Hij deed een tegenvoorstel: als hij de tekening in zijn bezit kreeg, zou hij die aan een Amerikaans museum nalaten met het verzoek die regelmatig in bruikleen aan Museum Boijmans af te staan. De Stichting ging hier niet op in.

Verjaard

Van Caldenborgh is bereid het standpunt van de Stichting toe te lichten: ,,Voor het bestuur waren er drie overwegingen om de tekening niet terug te geven. In de eerste plaats is de kwestie verjaard en is er dus juridisch geen reden om het wel te doen. Ik vind het overheidsbeleid om de verjaring geen rol te laten spelen prachtig, maar als stichting hoeven we ons daar niet aan te houden. Verder is het werk aangekocht door twee gerenommeerde Rotterdammers van wie wij aannemen dat ze te goeder trouw waren. En ten derde is het verkrijgen van kunst statutair de eerste doelstelling van de Stichting en niet het wegschenken daarvan.''

Van Caldenborgh wil wel toegeven dat hij zich `er ook wel eens over heeft verbaasd' dat de tekening in de jaren vijftig niet werd teruggegeven, maar, zegt hij, `de zaak werd destijds door de burgemeester geregeld en ik weet niet wat de beweegredenen waren'. ,,In elk geval leven we nu 47 jaar later.'' Hij wil niet ingaan op mijn opmerking dat kunsthandelaar D'Audretch de tekening in 1942 niet van een Duitser had mogen kopen omdat alle transacties met de vijand door de Nederlandse regering in ballingschap al in juni 1940 waren verboden en bij voorbaat ongeldig verklaard. Hannema zal zeker van D'Audretch gehoord hebben waar hij de tekening vandaan had. Nu had Hannema in de oorlog weinig scrupules bij kunstaankopen van Duitsers – hij was de enige Nederlandse museumdirecteur die van joden geroofde kunst aankocht bij de Liro-bank en hij kocht ook bij de Dienststelle Mühlmann die in Nederland kunst verwierf voor belangrijke nazi's. Dat Godsvertrouwen door een Duitser aan D'Audretch was verkocht zal voor hem geen beletsel zijn geweest de tekening aan te bevelen bij zijn vrienden Van der Vorm en van Beek.

Van Caldenborgh: ,,Als Hannema hun verteld had dat de tekening van een Duitser afkomstig was, hadden ze die zeker niet aangekocht.''

Van Caldenborgh wil nog graag vermeld zien dat de dertien leden van het stichtingsbestuur `intensief gediscussieerd' hebben voor ze een beslissing namen. De bestuursvergadering van vorig najaar moet inderdaad een turbulente bijeenkomst zijn geweest. Voordat de discussie begon, mocht de directeur van de Rijksdienst Kunsthistorische Documentatie R. Ekkart een toelichting geven en de claim op Godsvertrouwen, zoals hij zelf zegt, `in een ruimere contekst belichten'. Ekkart, die ook voorzitter is van de commissie Herkomst Gezocht - het onderzoek naar de herkomst van de gerecupereerde kunst in rijksbezit - gaf die toelichting op eigen initiatief en hij verheelde daarbij niet dat de tekening naar zijn mening diende te worden afgestaan. Ekkart: ,,Omdat de tekening van een particuliere stichting is, kan de Rijksoverheid de beslissing niet beïnvloeden. Het was dus ook niet mijn rol om druk uit te oefenen namens de overheid. Ik gaf mijn visie als voorzitter van de Commissie Herkomst gezocht.''

Over wat zich na het vertrek van Ekkart in de vergadering afspeelde, vertelde bestuurslid Arjo Klamer, hoogleraar Cultuurwetenschappen in Rotterdam onlangs in het Erasmusmagazine: ,,In een felle discussie heb ik geijverd voor de teruggave van een tekening van Jan Toorop aan een joodse familie. Dat is mij overigens niet in dank afgenomen.''

Als ik Klamer met die uitspraak confronteer, roept hij eerst afwerend dat die `off the record' was gedaan, maar later wil hij er toch wel iets meer over kwijt: ,,Op juridische gronden heeft Eberstadt geen rechten, de zaak is verjaard. Maar als je de kwalijke manier in aanmerking neemt waarop de Nederlanders na de oorlog met de joodse bezittingen zijn omgegaan, dan vind ik dat hij op morele gronden alle recht aan zijn kant heeft. Ik vind het schandalig hoe de Rotterdamse burgemeester Van Walsum zich in de jaren vijftig heeft opgesteld en ik schaam me diep voor de beslissing die nu genomen is.'' Uit het gesprek met Klamer wordt duidelijk dat hij niet de enige was binnen het bestuur die voor teruggave pleitte: het bestuurslid J.C. Kombrink, wethouder Kunstzaken van Rotterdam, adviseerde namens de Gemeente de tekening aan Eberstadt te geven. En dan was er ook nog het advies van de directie en de staf van conservatoren van het museum Boijmans van Beuningen die zich eveneens voor teruggave uitspraken.

Volgens de statuten van de Stichting moest meer dan tweederde van de bestuursleden voor teruggave zijn. Wethouder Kombrink vertelt dat dit aantal `net niet werd gehaald.' Kombrink: ,,Het bestuur is niet over één nacht ijs gegaan en ik verwacht dan ook niet dat er nog iets aan de beslissing zal veranderen.'' Maar Arjo Klamer zegt: ,,Ik houd moed en ik hoop dat we het besluit nog zullen herzien.''

Walter Eberstadt geeft de moed ook niet op. Hij heeft een advocaat genomen en hij zou in New York, waar dit soort kwesties niet verjaard zijn, een rechtszaak kunnen beginnen tegen de Stichting. ,,Maar als het kan, wil ik dat vermijden. Toen ik mijn claim indiende dacht ik dat de Nederlanders zouden zeggen: `We willen Godsvertrouwen liever vandaag dan morgen teruggeven.' Daarom heb ik de tekening vorig jaar januari toen die in South Carolina werd geëxposeerd niet in beslag laten nemen. Het gaat mij niet om het geld, ik accepteer geen financiële genoegdoening. Het gaat mij om het principe.''

Meer informatie over de Flersheim-collectie staat in het door dr. A.J. Bonke in opdracht van de Gemeente Rotterdam geschreven rapport `Collectie Flersheim' (1999)

    • Lien Heyting