Westen moet China veel meer onder druk zetten

De repressie van dissidenten in China neemt eerder toe dan af. De Europese Unie zou een veel assertiever beleid moeten voeren om de mensenrechtensituatie in China te verbeteren, vindt Peter Ras.

Het westerse China-beleid van de afgelopen jaren is mislukt. Willem van Kemenade maakt hiervan een goede analyse in deze krant van 25 april. Maar hij draagt vervolgens weinig nieuwe mogelijkheden aan om het huidige China-beleid succesvoller te maken, terwijl die mogelijkheden er wel degelijk zijn.

China misbruikt de huidige `mensenrechtendialoog' met de Europese Unie. Dit is een praatgroep die nauwelijks structurele verbeteringen van de mensenrechtensituatie teweeg heeft gebracht. In de afgelopen twee jaar is de mensenrechtensituatie in China en Tibet zelfs aanmerkelijk verslechterd, alle Westerse toenadering ten spijt. Amnesty International spreekt van een `serieuze achteruitgang van de mensenrechten in China in het afgelopen jaar' en constateert dat er een grote kloof bestaat `tussen de beloftes van de Chinese regering enerzijds en haar binnenlandse beleid anderzijds'.

China stelt zich daarnaast allerminst coöperatief op in de internationale arena (Kosovo, Irak, Cambodja, Macedonië), het continueert de wapenleveranties aan obscure regeringen (Iran, Pakistan), en het stelt zich onverzoenlijk op met betrekking tot de kwestie-Tibet en zelfs agressief ten opzichte van Taiwan. Tenslotte, en misschien is dit nog wel het meest schokkend, neemt de repressie in China eerder toe dan af.

Op al deze beleidsterreinen weigert China momenteel te luisteren naar de wensen en zorgen van de internationale gemeenschap. Het Westerse beleid van toenadering tot China door middel van het stimuleren van economische samenwerking en een structurele mensenrechtendialoog, heeft nog geen enkel tastbaar resultaat opgeleverd. Ook de zogenoemde `stille diplomatie' heeft tot op heden gefaald. Naast president Jiang Zemin begon op het recente Chinese `Volkscongres' nu ook al de Chinese premier Zhu Rongji agressieve taal uit te slaan.

Met betrekking tot Tibet weigeren de Chinese machthebbers nog steeds om met de Dalai Lama om de tafel te gaan zitten. Met name Tibetaanse jongeren hebben in de afgelopen jaren herhaaldelijk duidelijk gemaakt dat de huidige, vreedzame, benadering en werkwijze van de Dalai Lama zijn grenzen kent en dat er mogelijk gekozen moet worden voor `andere' strijdmethodes, zoals het gebruik van geweld. Het zou een onvergeeflijke vergissing zijn indien het Westen het zo ver zou laten komen. Een creatiever en krachtiger Westerse opstelling is daarom niet alleen gewenst, maar zelfs noodzakelijk om radicalisering te voorkomen, alleen al in het kader van het zo vaak bejubelde streven naar `conflictpreventie'.

Het Westen, de EU voorop, dient ronduit te erkennen dat het huidige `softe' beleid ten opzichte van China – helaas – geen positieve effecten heeft gehad. Er bestaat geen enkel bewijs dat de mensenrechtendialoog van de EU met China meer effect zal hebben dan de tot nu toe mislukte pogingen binnen de VN-commissie voor de mensenrechten. Daarom zijn er – naast de handhaving van de jaarlijkse druk op China binnen de VN – andere methodes en werkwijzen nodig om China in het gareel te krijgen. Het wordt tijd dat het roer om gaat en de Westerse landen voor een veel krachtiger lijn ten opzichte van China kiezen. In de eerste plaats dient de EU China een ultimatum te stellen binnen het kader van de `structurele EU-China-mensenrechtendialoog'. Indien China niet binnen een bepaald tijdskader met concrete verbeteringen op het vlak van de mensenrechten komt, waaronder de ratificatie van de VN-mensenrechtenverdragen die het reeds getekend heeft, breekt de EU de dialoog voor bepaalde of onbepaalde tijd af. Deze stap zou op zichzelf te betreuren zijn. Maar oeverloos onderhandelen, zonder enig zicht op resultaat, is ongeloofwaardig en wordt bovendien van Chinese zijde misbruikt.

Een tweede noodzakelijke koerswijziging is het op alle niveaus stimuleren van gesprekken over de mensenrechten in China. Hier moeten ook andere ministeries dan Buitenlandse Zaken, met name Economische Zaken, een rol spelen. Intensivering van contacten met zakenlieden, kunstenaars en wetenschappers, ook buiten de geijkte kanalen om, is nodig om het democratiseringsproces in China te stimuleren.

Een hele concrete stap is het zoeken van derden, die een bemiddelende rol kunnen spelen om de contacten tussen de Chinese overheid en de Tibetaanse regering in ballingschap – die in 1998 van Chinese zijde zijn afgebroken – weer te herstellen. Zowel Chinese zakenlieden als onafhankelijke, bij voorkeur niet-westerse, (oud-)staatsleiders en Nobelprijswinnaars kunnen hierbij een rol van betekenis spelen. De Dalai Lama zelf heeft bijvoorbeeld oud-president Mandela en oud-bisschop Tutu in Zuid-Afrika gevraagd of zij mogelijkheden zien om hieraan bij te dragen.

De internationale gemeenschap dient hierop in te springen door financiën en menskracht beschikbaar te stellen. Landen als Noorwegen – verantwoordelijk voor de succesvolle Oslo-akkoorden tussen Israel en de Palestijnen – of Costa Rica, maar wellicht ook andere landen, kunnen aangespoord worden om een bijdrage leveren aan het op gang brengen van onderhandelingen. Wellicht is dit in eerste instantie alleen zinvol achter de schermen, met name op lager diplomatiek niveau.

Er bestaan dus wel degelijk mogelijkheden voor Van Aartsen en de EU om een concretere bijdrage te leveren aan verbetering van de mensenrechtensituatie in China en Tibet, alsmede aan het tegengaan van de agressieve Chinese buitenlandse politiek. Maar dan moet de politieke wil wel in voldoende mate aanwezig zijn.

Daarbij moet bedacht worden dat China, bijvoorbeeld voor handel, veel afhankelijker is van het Westen dan andersom. China heeft dus veel meer te verliezen dan het Westen.

Peter Ras is lid van de werkgroep mensenrechten van D66.

    • Peter Ras