Wat een schoonheid!

Iedere museumdirecteur heeft één meest dierbare aankoop. Voor Ronald de Leeuw is dat het albasten hoofd van Johannes de Doper.

MIJN MEEST DIERBARE aankoop voor het Rijksmuseum was misschien wel één van de eerste. Kort na mijn aantreden toog ik in maart 1997 naar de opening van de TEFAF in Maastricht. Door conservatoren die bij het `vetten' vooraf al het nodige hadden gezien was ik geattendeerd op bepaalde objecten. Toch liep ik er rond zonder een vooropgezet idee. Wat het museum `nodig' had, stond me als kersverse directeur nog maar vaag voor ogen. Het leek wat pretentieus om voor een tweehonderd jaar oude collectie met zo'n miljoen voorwerpen nu al te weten wat de volgende aankoop zou moeten zijn.

Tussen het handengeschud van het sociale spel door, laafde ik me aan al het fraais dat uitgestald was – al leek het meer bon ton te zeggen dat de beurs tegenviel. In de stand van een Londense kunsthandelaar bleef mijn blik hangen op een middeleeuwse sculptuur. Het was een albasten kop van Johannes de Doper van een ongelooflijke expressiviteit en verfijning. Het was niet bekend waar hij gemaakt was en ook de datering was nog speculatief. Maar wat een schoonheid, ja noblesse sprak eruit!

Door Richard Strauss' opera was ik al jaren gefascineerd door de figuur van Salome, die voor de scheiding van het hoofd van Johannes' romp verantwoordelijk wordt gesteld, en over haar populariteit in de beeldende kunst had ik vijftien jaar geleden ooit nog lezingen gegeven. Ik kan niet reconstrueren of die associaties mee hebben gespeeld, maar terug in Amsterdam bleef het Johanneshoofd mij het meest bij.

De volgende dag werd er met de conservatoren nagepraat over wat iedereen gezien had. Ik luisterde vooral. Bij de conservator beeldhouwkunst viel mijn oog op een foto die hij voor zijn pc-scherm had neergezet: de Johannes! Natuurlijk hield ik mijn enthousiasme niet voor me, want in één klap kreeg ik het gevoel: het gaat wel lukken, dat aankopen in het Rijksmuseum. Ik zag het als een vingerwijzing dat ik, als nieuwkomer, zonder ruggespraak, hetzelfde object eruit pikte als de specialisten. Ik verstond hun taal, zat op de goede lijn.

Maar de race was nog niet gelopen. Het feit dat de kop zijn oorspronkelijke schotel niet meer had leidde tot aarzelingen. Ook de onzekerheid over de plaats en ontstaansdatum maande tot voorzichtigheid. Het feit dat het stuk door de handelaar rond 1530 werd gedateerd, was voor de Cloisters – de afdeling Middeleeuwse kunst van het Metropolitan Museum in New York – reden geweest de koop niet te overwegen omdat men daar maar tot 1500 verzamelt. De grote schoonheid van het voorwerp gaf, zoals het hoort, uiteindelijk toch de doorslag. De prijs was hoog, maar niet exorbitant en het Rijksmuseum Fonds, opgericht om particuliere gelden te werven, adopteerde de aankoop. Na enkele maanden werd de kop gepresenteerd in het aanwinstenzaaltje – subtiel uitgelicht, het fijne albast schitterend afstekend tegen de kleurige achtergrond. Een transparante glazen schijf verving de ontbrekende schotel. Uit zulke zorgvuldige presentaties spreekt de trots van een museum.

In het prachtige boek dat begin dit jaar uitkwam en waarin, aan de hand van de collectie van het Rijksmuseum, de `Nederlandse kunst 1400-1600' wordt beschreven, is het Johanneshoofd al opgenomen. De tekst beschrijft het stuk nu als `mogelijk voor het Bourgondische hof vervaardigd' en dateert het in het laatste kwart van de 15de eeuw. Afgebeeld tussen een gravure van `Meester W met de sleutel' en een schilderij van Geertgen tot Sint Jans heeft het zijn plaats in de kunstgeschiedenis ingenomen. Jammer Metropolitan!

Geruisloos is het object ingevoegd op zaal. In een kleine vitrine zijn wat voorwerpen verschoven om er plaats voor te maken. Johannes ligt er nu wat stilletjes bij, op een neutraal beige stofje. Zijn schotel is hij kwijt. Behalve het inventarisnummer op het bijschrift wijst niets er meer op dat de kop een recente verwerving is. In het Rijksmuseum wordt, op de Nachtwacht en het poppenhuis na, niet positief gediscrimineerd tussen de voorwerpen. Alle objecten waren immers ook ooit trotse aanwinsten.

AANKOPEN

Ronald de Leeuw is directeur van het Rijksmuseum