Universitaire noodhulp geboden

Op 24 juni 1859 vond in Noord-Italië bij het dorp Solferino een veldslag plaats tussen de legers van de Franse keizer Napoleon III en zijn Oostenrijkse ambtgenoot Frans Jozef I. Nadat de kruitdampen waren opgetrokken en de Fransen zich hadden teruggetrokken bleek er van de tien uur eerder nog zo fiere soldatenmassa's niet veel over. Het slagveld lag bezaaid met lijken, lichaamsdelen, versplinterde botten en flarden van uniformen. Lombardijnse boeren beroofden de doden en stervenden van hun schamele bezittingen.

In de kerken en op de pleinen van Solferino wachtten zwaargewonde soldaten van beide partijen gebroederlijk naast elkaar op hun einde. Een 31-jarige slagveldtoerist uit Genève, Jean Henry Dunant, probeerde hun lijden wat te verlichten en deelde zijn Cubaanse sigaren uit. Diep onder de indruk van wat hij had gezien keerde de Zwitser terug naar huis. Hij schreef er een moralistisch getint ooggetuigenverslag, Un souvenir de Solferino (1862), dat hem beroemd maakte. Vervolgens trok hij naar de Europese hoofdsteden om steun te verwerven voor een internationale conventie, die eerste-hulporganisaties in staat zou moeten stellen om in oorlogstijd de gewonden te verzorgen. En hij had succes: in 1863 werd het Internationale Rode Kruis opgericht en het jaar daarop de Conventie van Genève ondertekend.

Zo'n honderdvijftig jaar na de slag bij Solferino geven tal van hulporganisaties in crisisgebieden over de hele wereld gehoor aan het verlangen van Dunant. De medewerkers van die organisaties zijn vaak jonge, hoogopgeleide mensen, die bewonderenswaardig werk verrichten dat verdergaat dan het uitdelen van sigaren. Toch verloopt die hulpverlening vaak gebrekkig, zij het dat je over Solferino-achtige taferelen zelden nog iets hoort. Voor de EU is dat herhaaldelijke falen – zoals laatst nog bij de watersnood in Mozambique – reden geweest om een nieuwe `multidisciplinaire' universitaire studie in het leven te roepen. Hulpverleners in spe krijgen er les in internationaal recht, geopolitiek, antropologie, management en epidemiologie. Hoe onderscheid je een Hutu van een Tutsi, hoe liggen de politieke verhoudingen in het rampgebied, hoe voorkom je een cholera-epidemie – dat soort vragen.

Acht Europese universiteiten zijn bij het project betrokken, waaronder de Rijksuniversiteit Groningen (RUG). ,,Groningen is een brede klassieke universiteit en daarom zijn wij uitgenodigd om deel te nemen aan het project'', zegt Ingrid van der Meer, die de Nederlandse `Masters Opleiding Humanitarian Assistance' coördineert in haar kamertje van anderhalf bij drie meter in het gebouw van de Groningse letterenfaculteit.

De nieuwe opleiding duurt een jaar en levert een doctoraaldiploma op. Doctorandus noodhulp dus. Het klinkt nogal aanstellerig en riekt naar de ambachtsschool, waarop de moderne universiteit steeds meer lijkt en waar `wetenschap om niets' heeft plaatsgemaakt voor dienstbaarheid aan het bedrijfsleven. Maar wanneer je vervolgens ontdekt dat je pas aan het noodhulpprogramma mag deelnemen als je een doctoraalexamen in een `echte' studie hebt afgelegd, begrijp je dat het hier niet om zomaar een studie gaat en dat het straks dringen wordt in Groningen.

,,We hebben zo'n 100 serieuze verzoeken om informatie gekregen, terwijl we maar zo'n 20 à 25 plaatsen hebben'', zegt Van der Meer. ,,De geïnteresseerden zijn tussen de 25 en 40 jaar oud. Sommige van hen hebben bedrijfskunde of rechten gestudeerd en werken op een ministerie of bij de Raad van State. Maar er zitten er ook bij die al bij een hulporganisatie werken en van hun baas een jaar verlof hebben gekregen om deze opleiding te volgen.''

Het doel van de studie noodhulp is het creëren van professionele, allround hulpverleners – managers en veldwerkers. ,,Maar het is ook de bedoeling dat er research wordt gedaan naar de juiste manier om humanitaire crises in de toekomst te voorkomen'', benadrukt Van der Meer. Nadat de studenten in het eerste semester het multidisciplinaire programma hebben gevolgd, begint het gespecialiseerde deel van de studie, dat op iedere universiteit anders is. Van der Meer: ,,Groningen richt zich op de comprehensive security, zeg maar veiligheid bij rampen in de breedste zin van het woord.''

En het kost allemaal niets, naar de huidige universitaire maatstaven gerekend: de financiering berust op het collegegeld van 2.870 gulden per student. Als je uitgaat van 25 deelnemers gaat het dus om zo'n 70.000 gulden. Interessant zijn ook de toelatingseisen die de RUG stelt. Want omdat maar een beperkt aantal plaatsen is te vergeven, wordt een strenge selectie gehouden: is de student werkelijk gemotiveerd, past hij in de groep, spreekt hij wel behoorlijk Engels, kan hij een fatsoenlijk stuk schrijven? Van der Meer: ,,Het is een kleine groep, waarin de studenten veel persoonlijke aandacht krijgen en het onderwijs in het Engels wordt gegeven.''

Die selectie doet denken aan Oxford en Cambridge, waar toelatingsgesprekken een doodgewone zaak zijn. Hierdoor kunnen de doorgaans gemotiveerde studenten college krijgen in kleine groepen, waarin de nadruk ligt op schrijven, spreken en redeneren. Een ideale vorm van academisch onderwijs, waarmee je in vier jaar tijds een volwaardig geleerde kunt worden. Aardig om te weten is dat bankiers en ministers in Engeland vaak classici of historici zijn.

Gezien het bedroevend lage intellectuele niveau van veel academische opleidingen in Nederland zouden veel universiteitsbestuurders een voorbeeld kunnen nemen aan de opzet van de studie noodhulp. Ze moeten dan maar even vergeten dat `selectie' bij letterenstudies misschien wat `ondemocratisch' aandoet. Sterker nog, als de Nederlandse universiteiten geen andere koers uitzetten, moeten ze binnenkort misschien wel assistentie inroepen van de kersverse doctorandi noodhulp. Want het is een publiek geheim dat binnen de poorten van de universiteitsgebouwen crisis, hongersnood en burgeroorlog heersen, zij het dat er tot nu toe geen doden vallen en de wapens vooralsnog van papier zijn.

    • Michel Krielaars