Trou Moet Blycken

Het Geschenk

I

Hij trok het schuifken open,

Het knaapje stond aan zijn zij,

En zag het uurwerk liggen:

`Och, Grootvader, geef het mij?'

`Ik zal 't u wel eens geven,

Toekomende jaar misschien,

Als gij wel leert en braaf zijt,'

Zei de oude, `wij zullen zien.'

`Toekomend jaar!' sprak het knaapje,

`O Grootvader, maar dan zoudt

Ge lang reeds kunnen dood zijn;

Ge zijt zo ziek en zo oud!'

En de oude man stond te peinzen,

En hij dacht: `het is wel waar,'

En zijn lange vingren streelden

Des knaapjes krullend haar.

Hij nam het zilvren uurwerk,

En de zware keten er bij,

En lei ze in de gretige handjes,

`'t Komt nog van uw vader,' sprak hij.

II

Daar was een grafje gedolven;

De scholieren stonden er rond,

En een oude man boog met moeite

Nog ene knie naar den grond.

Het koele morgenwindje

Speelde om zijn haren zacht;

Het gele kistje zonk neder:

Arm knaapje, wie had dat gedacht!

Hij keerde terug naar zijn woning,

De oude vader, en weende zo zeer,

En lei het zilvren uurwerk

In 't oude schuifken weer.

Rosalie Loveling (1834-1875)

Vandaag heb ik zin in een smartlap. Vandaag heb ik zin in een wijsje uit de oude doos. Vandaag heb ik zin in een versje van een der gezusters Loveling, in het overbekende, alomgeliefde, sufgebloemleesde Het Geschenk

Hij trok het schuifken open,

Het knaapje stond aan zijn zij

Dat beeld van een grootvader die het schuifken (het laatje) opentrekt, een schuifke dat laag genoeg is om er het knaapje een blik in te gunnen, dat woord `knaapje' alleen al, dat woord `uurwerk' voor grootvaders horloge het is of je vanuit onze woelige wereld, vanuit een museum vol moderne kunst zeg maar, ineens naar een oude houtsnede kijkt, een chromolitho, een vrome oleografie. Zoals het knaapje een blik opving van het uurwerk, zo vang jij een glimp op van een maatschappij die zich het duurzame middelpunt van de schepping waande. Die wereld is volledig verdwenen en voorbij, dus geruststellend.

Hoewel, soms weer niet zo geruststellend.

Soms zie je de worm in de appel. Soms zie je op de chromolitho knaapjes met waterhoofden.

Het duurzame middelpunt, zei ik. Het betrof een maatschappij die niet twijfelde aan haar continuïteit en eigen gelijk. Toch loerde de dood overal kindersterfte, epidemieën, het slagveld. De dood is een lievelingsonderwerp bij de zusjes Loveling. Van het blozende jonge meisje dat, in een gedicht van Rosalie, voor de spiegel staat

't Was de koorts, die gloeide op

haar wangen,

't Was de dood, die blonk in haar

oog!

tot de dood van een jong soldaat in een gedicht van Virginie, die twee jaar jonger was dan Rosalie en haar zuster bijna een halve eeuw zou overleven

Zo ver van huis alleen gestorven

In 't gasthuis ener vreemde stad,

En onbeweend naar 't graf

gedragen,

Terwijl men ginds zo lief hem had!

Sterven op jeugdige leeftijd was kennelijk zo gebruikelijk dat het loonde om die doodsvariant in de kunst `bespreekbaar' te houden.

De dooie kindertjes zijn, net als de rillende populieren en de klotsende zee, uit de poëzie verdwenen.

Het Geschenk hoort bij een verloren tijd. Toch blijft het herkenbaar. Het blijft herkenbaar door de simpele middelen waarmee de dichteres werkt en het blijft herkenbaar door zo'n modern begrip als de `doorbroken verwachting'.

We nemen, mét het knaapje, aan dat de grootvader snel zal sterven. In plaats daarvan sterft het knaapje het eerst.

We zouden zo'n kunstgreep in onze tijd misschien wat radicaler hanteren. Onze grootvader zou het schuifke snel dichtschuiven, bij voorbeeld, en de knaap in plaats van het uurwerk een oorvijg geven. Ook zouden we aan het begin van het tweede deel de suspense wat langer volhouden en niet meteen door het verkleinwoord `grafje' prijsgeven dat het om het graf van het knaapje gaat. Maar verder is dit gedicht een wonder van suggestieve eenvoud.

Door dat `grafje' en die `scholieren' beseffen we wél dat de dood onverwacht snel heeft toegeslagen, naar we aannemen in overeenstemming met het `toekomend jaar' uit de eerste helft van het gedicht. Beide gedichthelften weerspiegelen elkaar op meer punten. Het laatje dat opengaat en het laatje dat dichtgaat. De grootvader die knielt bij het graf en de grootvader die waarschijnlijk al moest bukken voor het schuifke. Daar zouden we ons een schilderij van Jozef Israëls bij kunnen voorstellen. De vingers die de haren streelden en, ten slotte, de wind die speelt om het haar.

Dat brengt ons op het koele morgenwindje. `Het koele morgenwindje' is de sleutelregel van het gedicht. Het kunnen de vingers van God zijn. 't Kan ook beduiden dat het leven vergankelijk is, vluchtig, wind. Dat alles naar de oorsprong terugkeert. Dat de laatste regel weer de eerste is.

Dat is in dit sentimentele en toch strakke gedichtje letterlijk het geval. Nieuw wordt oud en oud wordt nieuw.

    • Gerrit Komrij