Portretten

Verscholen achter de bloesem ligt terzijde van het Rijksmuseum de Teekenschool. In stilte werken hier de veelal onbekende restauratoren. Elk vakgebied – van hout en metalen tot keramiek en textiel – heeft er zijn eigen atelier. Zes interviews over glasziekten, bloedend borduurwerk en zwemmend papier.

STIJF OF GEWILLIG

Peter Poldervaart (57)

Hoofd Papierrestauratie-atelier

``Ik houd van papier. Het ligt zo lekker in de hand. Je kunt het vastpakken, strelen, en het is zo vertrouwd dat ik vrij nauwkeurig kan schatten hoe oud het is. Zo'n datering lees ik niet alleen af aan het watermerk en de manier waarop het gemaakt is – ik voel hoe dik, wollig, stijf of gewillig het is.

Omdat papier graag zwemt, gaat het hier als het bol staat even het bad in. Daar wordt het sterker van. De vezels gaan weer lekker recht liggen. En om het preventief te conserveren krijgt het ook nog een lijmbad: om het af te schermen voor bijvoorbeeld vuil. Daarna snijden we een passe-partout. In gestandaardiseerde formaten, anders zou het een rommeltje worden.

Er bestond in mijn tijd geen opleiding voor papierrestaurateur. Mijn vader was antiquaar, in boeken en prenten, maar omdat ik dyslectisch was ging ik maar als particulier restaurateur aan de slag. In 1968 werd ik aangesteld bij het Parijse Institut Néerlandais, voor de tekeningencollectie van Frits Lugt. Terug in Amsterdam, een paar jaar later, nam ik mijn eigen zaak weer op. Maar uiteindelijk bleek ik een slechte zakenman te zijn. `Óf je neemt een vaste baan, óf ik ga bij je weg', zei mijn vrouw. Vanaf 1981 werk ik in het Rijksmuseum.

,,Na al die jaren kan ik aan elke vlek zien of ie zich laat verwijderen of niet. Het schoonmaak- en restauratie-proces zit van a tot z in mijn hoofd. Al kijkend schrap ik letters tussen a en z door, en zo kom ik tot een methodische aanpak.

Zit er een gat in een prent dan vullen we dat op met pap, gemaakt van papier uit dezelfde eeuw. Daarom bewaren we elke 16de-, 17de- of 18de-eeuwse snipper in speciale dozen.

,,We restaureren met zijn vijven. Alles wat moeilijk is, is leuk. Het enige dat ik haat is gummen – misschien omdat het te gemakkelijk is. Meer dan de helft van onze tijd besteden we aan het herstellen van teruggekomen bruiklenen. Door niet al te beste klimatologische omstandigheden gaat er elders vaak iets mis.

Omdat het museum ongeveer een miljoen prenten en tekeningen bezit en elke aanwinst, soms drie-, vierhonderd bladen per jaar, hier langskomt, maken we zelf projectjes die anders blijven liggen.

Zo werk ik nu aan de honderden Indiase miniaturen die de Amsterdamse verzamelaar Formijne het museum naliet. Met haardunne injectienaalden spuit ik in een stoomcabine lijm in het blad om de soms dik opgebrachte verf vast te houden.

Er blijft genoeg te doen, want rond 1850 liep het mis met het papier. Lompen maakten plaats voor hout. Dat uit hout gemaakte papier wordt bruin, het vreet zichzelf op door de chemicaliën die werden toegevoegd. Dus geef mij maar een Rembrandt in plaats van een Picasso.'

Isabelle Garachon (42)

Hoofdrestaurator glas, keramiek en steen

'`Ik voel me hier een lid van een estafetteploeg, die mooie dingen zo goed mogelijk aan volgende generaties doorgeeft.

Volstrekt intuïtief heb ik tijdens mijn opleiding op de Sorbonne in Parijs voor keramiek en glas gekozen. En ik kan me niet voorstellen dat ik iets anders zou restaureren.

Mijn collega en ik herstellen breuken in glas en keramiek. We retoucheren schilderingen en maken marmeren bustes en terracotta-beelden schoon. De rest van de tijd verplaatsen we deze objecten bij schoonmaakbeurten of interne verhuizingen. Het in- en uitpakken van glas vereist veel concentratie.

Deze grote, 18de-eeuwse

plaque van Delfts blauw dreigde uiteen te vallen. Eerst moest de oude lijm, die de verschillende fragmenten bij elkaar hield,

verwijderd worden. Een lastige, langdurige klus. Daarna hebben we de stukken weer aan elkaar gelijmd en nu vullen we de

barsten op en retoucheren de

fijn geschilderde taferelen.

Er wordt steeds terughoudender gerestaureerd. Een oud bord met scheuren aan de achterzijde werd vroeger helemaal overgeschilderd. Dat doen we niet meer. Deze objecten hebben een lang leven achter de rug, en dat mag je best zien. En ontbrekende chips, schilfers, maken we ook niet langer onzichtbaar. We maskeren ze, zodat het oog van de toeschouwer niet naar een beschadiging wordt getrokken. Alles wat we schilderen kan als make-up weer worden verwijderd, omdat we met acryl werken, een verf op waterbasis.

Het museum bezit zo'n 600 stuks glaswerk, 10.000 voorwerpen van porselein en aardewerk, waaronder 500 stuks steengoed, en ook nog 10.000 tegels. Het is mijn droom alle stukken die in de vaste opstelling staan – enkele honderden – ooit behandeld te hebben.

Marmer wordt vuil, schilderingen verkleuren, en oud Venetiaans glas kan zo ziek worden dat het gaat tranen of haarscheurtjes gaat vertonen. Aan dat laatste is weinig anders te doen dan het nemen van klimatologische maatregelen.

Tegels, die door zoutvorming via vochtige muren hun glazuur verliezen of zelfs verpulveren, worden hier gespoeld zodat het zout eruit trekt.

Ik denk nooit `dat kan ik niet!'. Ik zoek naar een oplossing. Maar ik moet bekennen dat ik wel even met mijn handen in het haar zat toen ik een aardewerken kommetje van een centimeter moest restaureren. Een onderdeel van het poppenhuisservies, dat in twaalf stukjes was gebroken. Daarover kun je geen enkele binnen- of buitenlandse collega raadplegen; die heeft zoiets nooit bij de hand gehad. Maar ik ben er wel uitgekomen, hoor.'

Mieke Albers (44)

Textielrestaurator

``Als kind was ik al met lapjes in de weer. En dat kan ik thuis nog steeds niet laten. Na mijn opleiding Textiele werkvormen moest ik eigenlijk voor de klas gaan staan, maar het lukte me niet om orde te houden. Daarom heb ik me destijds verder georiënteerd – in het Victoria & Albert Museum in Londen en het Simon van Gijn Museum in Dordrecht. Ik houd ervan oude voorwerpen te koesteren. En van die liefde heb ik als het ware mijn vak gemaakt.

De grote textiel- en kostuumcollectie van het museum omvat vijftien eeuwen – vanaf Koptische weefsels tot en met een jurk uit 1950 van Christo Balancianga. Wandtapijten, handschoenen, damasten tafellakens, servetten, kanten kragen, zijden tasjes, gestoffeerde meubels: aan de hand van een conditierapport worden ze ieder apart behandeld. We wassen, herstellen of verstevigen ze. Alle textiel wordt langzaam broos. Tijd om lang aan één stuk te werken is er niet meer, want we moeten elk jaar twee tentoonstellingen voorbereiden. Mijn drie vrouwelijke collega's en ik werken als vliegende kippen.

Dit is het onderhemd waarin de stadhouder Hendrik Casimir in 1640 werd neergeschoten. Bijna al dat bruin is bloed. Het weefsel is als papier versnipperd geraakt. Stukje voor stukje zet een student het weer vast op dunne tule. Net zo arbeidsintensief is het restaureren van zijden mantel- en japonvoeringen. Om duurder te lijken werd zijde medio 19de eeuw verzwaard met metaalzouten en die breken op den duur de vezels af. Daarom krijgen de zwakke plekken elk een weefsel van bijna onzichtbaar draad, zodat de voering weer ondersteund is als de mantel op een pop tentoongesteld wordt.

Met één enkele japon zijn we vier, vijf weken bezig. Van nature ben ik ongedurig, maar dit werk maakt we weer geduldig. Sommige tapijten, die keihard zijn geworden omdat ze vroeger met een lijmlaag zijn geïmpregneerd, moeten net zo goed ondersteund worden. Héél voorzichtig, om de zwakke plekken niet verder te beschadigen, houden we de weefsels tijdelijk bijeen met spansteken. Lijm gebruiken we natuurlijk nooit meer. En verder wordt hier nog verkleurd textiel met neutrale zepen grondig gespoeld.

Sommige schades zijn onherstelbaar, zoals een borduurwerk waarvan de gekleurde garens zijn gaan bloeden, doorlopen. Of stukken die tien, vijftien jaar lang in te veel licht hebben gestaan en waarvan de vezels verkleurd of vergaan zijn. We gaan echt niet als nonnen pietepeuterig met een lapje om. Bij de huidige tentoonstelling Kant worden de strikken en kragen niet stijfjes op een ondergrond genaaid, maar losjes neergelegd in de vitrines. Het is een plezier om naar te kijken.'

Paul van Duin (43 jaar)

Hoofd afdeling

Meubelrestauratie

``Samen met twee restauratoren en drie stagiaires herstellen we hier tien tot vijftien meubels per jaar. Het Rijksmuseum heeft er zo'n drieduizend. Op de werkbanken ligt nu een 17de-eeuws, eikenhouten kabinet met deuren die in wel tien houtsoorten zijn belijmd met guirlandes en bloemstillevens.

Dat inlegwerk, maqueterie, wordt eerst heel precies op papier overtrokken. We maken röntgenopnamen, onderzoeken de scheuren in de deuren en zagen de verdwenen fragmenten zelf weer uit de desbetreffende houtsoort.

Straks zullen van beide deuren de drie planken, compleet met het inlegwerk, van elkaar gescheiden worden om die scheuren te herstellen.

U vindt dat eng? Nee, hoor, valt reuze mee. Die scheuren ken ik, ze zijn ontstaan doordat de planken met het sierwerk destijds dwars op de regels erachter werden geplakt.

Omdat we beenderlijm gebruiken is alles later weer ongedaan te maken. Werd er vroeger een stoelpoot recht of schuin gezaagd om er een fragment tussen te zetten, er wordt nu geen splinter meer verwijderd.

Ik werk hier elf jaar. Eerst studeerde ik psychologie, maar ik merkte al snel dat ik liever met hoofd èn handen bezig ben. Voor de officiële restauratorenopleiding werd ik helaas uitgeloot.

Op advies van de directeur ben ik naar de LTS-opleiding Fijnhoutbewerking gegaan, waar iets oudere mensen uit passie dit ambacht alsnog konden leren. Tegelijkertijd volgde ik hoorcolleges kunstgeschiedenis, nam ik tekenlessen en deed ik veel aan zelfstudie.

Uiteindelijk kwam ik bij de restauratie-afdeling van de koninklijke collectie in Londen terecht, de mooiste collectie ter wereld. Vijf jaar lang restaureerde ik daar de meubelen die de koningin zelf in gebruik had in haar paleizen.

Jongere restauratoren werken nu veel meer samen dan hun nogal solitair ingestelde, oudere collega's. Ze zijn ook wetenschappelijker opgeleid, maar hun praktijkervaring laat nogal te wensen over. In Duitsland moet je eerst diverse stages lopen en dan pas theorie-colleges volgen. Dat lijkt me beter. Elke twee jaar levert de restauratorenopleiding van het Instituut Collectie Nederland zes studenten af. Aan vakmensen geen gebrek.

Samen met de conservator inspecteer ik regelmatig 's morgens vroeg de achthonderd meubelen en andere houten voorwerpen die op zaal staan. Ik wil niets liever dan dat alles er gaaf en goed verzorgd uitziet. Behoud staat voorop.

Een particuliere restaurator neemt iets onder handen en ziet het niet meer terug. Hier heb je blijvende zorg, dat spreekt me zeer aan.'

Ab Hoving (52)

Hoofd restauratieatelier

Nederlandse Geschiedenis

``Met mijn twee collega's leid ik onder het dak van de oostelijke museumtoren een verborgen bestaan. We kunnen lekker doorwerken, want we krijgen geen opgewonden kunsthistorici over de vloer. Alles wat met Nederlandse geschiedenis te maken heeft – van het stokje van Van Oldenbarnevelt tot de vlecht van Jacoba van Beieren – komt door onze handen. En of het nu een scheepswerf in Australië of een Brits museum is, men weet ons voor adviezen altijd te vinden.

Mijn liefde is de maritieme collectie, 1.600 objecten uit de 17de tot en met de 19de eeuw, modellen van schepen, vuurtorens, boeien, droogdokken, doortrekbare scheepstoiletten, Indonesische vaartuigjes en nog veel meer. Destijds waren het tastbare en concrete marine-voorstellen, op basis waarvan een minister een besluit moest nemen. Daarna kwamen ze in de zogenoemde Marinekamer in Den Haag terecht.

We maken ze schoon, vervangen versleten zeilen en scheepstuig, snijden zelf houten details bij, en steeds weer ben ik

verbijsterd over het angstig

perfecte vakwerk. Men gebruikte spijkers zo dun als haren, sneed de sierlijkste wenteltrappen in

miniatuur en voor het beeldhouwwerk op de spiegel van 17de-eeuwse driemasters werden

échte beeldhouwers gevraagd.

Als kind al zwierf ik graag over de scheepswerven bij het Winschoterdiep. Eenmaal leraar handvaardigheid, knutselde ik in de avonduren aan modellen van schepen en muziekinstrumenten. Die gespannen, plastische vorm van klankkast en romp spreekt me zeer aan. Omdat er weinig of geen onderzoek was gedaan naar de bouw van 17de-eeuwse scheepsmodellen, verdiepte ik me in die tijd in het rommelige boekje dat de laat-17de-eeuwse Amsterdamse burgemeester Nicolaes Witsens er over schreef. Toevallig vond ik de tekeningen terug die erbij hoorden.

Na publicatie van mijn eigen boek, werd me in 1989 gevraagd hier te komen werken. Met vijf man hadden we bijna vijf jaar nodig om de totaal verkommerde collectie schoon te maken en te registreren. Als vroeger een fregat niet door de depotdeur kon, dan drukte men het er wel doorheen. Dus u begrijpt hoe zo'n model eruitzag.

Dankzij het Deltaplan is nu alles op orde. Natuurlijk hebben we de stille wens om in het museum méér te laten zien dan die ene zaal die we jaarlijks mogen vullen. Maar deze zomer kunnen we uitpakken. Voor het eerst worden alle stukken, let wel, álle stukken, tentoongesteld in De Beurs van Berlage. En daar zijn we trots op. Want wat hier in de loop van eeuwen stelselmatig is opgebouwd, is zó mooi dat ik alleen maar medelijden heb met de antiquairs waar ik wel eens langsloop.'

Robert van Langh (31)

Hoofd afdeling

Metaalrestauratie

``Ik heb een prachtvak. Elke dag ga ik fluitend naar mijn werk.

En hier, tussen de microscopen, spoelbakken en straalkabines, fluit ik gewoon verder.

Ziet u die 17de-eeuwse zilveren plaquette? Als je hem tegen het licht houdt, worden er in het reliëf allemaal scheurtjes zichtbaar. Hoe komt dat en hoe kunnen we dat met 18de-eeuws zilver voorkomen? Zoiets uitzoeken vind ik heerlijk. U denkt misschien die man wil leuk en interessant doen. Nee, het werk is gewoon heel interessant. En ik merk dat de vier studenten die ik opleid zo gedreven zijn dat ze niets liever willen dan in het weekeinde doorwerken.

Of het nu om 19de-eeuwse gietijzeren haardplaten gaat, om 16de-eeuwse sieraden of om een 17de-eeuwse kokosnootbeker met zilverbeslag: ze komen allemaal wel een keer op deze afdeling van twee man terecht. Het museum bezit zo'n 20.000 stukken van edele en onedele metalen, waaronder 3.500 stuks zilver.

`Ach, met metaal gebeurt toch niets', hoor je mensen wel zeggen. Er gebeurt van alles mee, maar heel geleidelijk. Vooral de luchtvervuiling in de 19de eeuw heeft veel schade aangericht.

Ik zoek uit waarom het verguldsel van een 17de-eeuwse zilveren beker afbladdert, waarom op het been van een loden putti – een tuinbeeld – ineens loodwit verschijnt. Of waarom het witte emaille waarmee een 16de-eeuwse gouden collier-hanger is ingelegd, op sommige delen een andere kleur vertoont.

Een bezoeker hier stootte een anderhalve meter hoge 15de-eeuwse kandelaar om. Blijkt ineens dat de beschadigde rand niet van brons is, zoals de rest, maar van tin. Ik heb ontdekt dat die er al in 1874 opzat. Dus laten we die dan maar zitten. Maar vreemd blijft het wel. Ik heb hier alle vrijheid om de meest uiteenlopende chemische corrosieprocessen te onderzoeken. Ik kan de wereld rondreizen, mijn uitvindingen uitdragen en samenwerken met het laboratorium van Hoogovens en met collega's in verre musea.

Als je in dit museum iets wil, krijg je alle kansen. In Antwerpen, waar ik mijn opleiding volgde en zeven jaar woonde en werkte, wordt voor preventieve conservering nauwelijks geld vrijgemaakt. In dit museum wèl. Ik voel me ook thuis in Amsterdam. Ik mag zijn wie ik ben – een Bourgondiër – en daar houdt men hier wel van.

Het is een goed gevoel het cultureel patrimonium te beschermen en ik hoop dat door dit stukje in de krant nieuwe, jonge denkers en doeners gemotiveerd raken om voor het restauratievak te kiezen.'