Nieuw licht in verloren binnenhoven

Uiterlijk is het Rijksmuseum de afgelopen 115 jaar niet veranderd. Het interieur daarentegen, werd in de loop der jaren volledig gemaltraiteerd. Een nieuwe verbouwing is in gang gezet.

SCÈNE IN AMSTERDAM op zaterdag 6 mei jongstleden tegenover het Rijksmuseum, Stadhouderskade. Een Amerikaanse oorlogsveteraan staat ontspannen tegen de brugleuning, bruine getourmenteerde kop met grijs baardje. Zijn embonpoint wordt in toom gehouden door een houthakkershemd onder een openhangende blazer met uitbundige onderscheiding op het linkerrevers. Op zijn hoofd een bescheiden formaat Texashoed.

Hij gebaart naar zijn vrouw die aanstalten maakt in de richting van de Spiegelstraat te lopen. Barbara, Barbara, look here, beautiful building. Hij wijst op het Rijksmuseum. Barbara keert terug op haar schreden, laat een verzaligd Yeah aan haar rode craquelé lippen ontsnappen en maakt in een automatisch gebaar een foto. Beautiful, verzucht het bejaarde paar in koor. Het is duidelijk dat zij met beautiful niet alleen mooi bedoelen, maar ook ontzagwekkend.

Uiterlijk is het Rijksmuseum nog precies hetzelfde gebouw als toen het in 1885 werd geopend. Architect Pierre J.H. Cuypers creëerde een Gesamtkunstwerk: een 19de-eeuwse kathedraal beladen met decoratie en ornamentiek in een stijl die is ontleend aan zowel 13de-eeuwse, als 16de-eeuwse motieven. De katholieke Cuypers, die in 1827 in Roermond werd geboren en daar in 1921 stierf, had een voorliefde voor de overgangsperiode van gotiek naar Renaissance. Zelf omschreef hij dit tijdvak nauwkeurig als `toen de Renaissance motieven nog op de gotische konstrukties waren gekalkeerd'.

Tot in de kleinste details laat het Rijksmuseum zien hoe onuitputtelijk deze inspiratiebron voor Cuypers was. Met behulp van duizenden tekeningen ontwierp hij, in eclectische stijl, het meest karakteristieke en majesteitelijke monument van 19de-eeuwse bouwkunst dat Nederland kent. En eclectisch is hier niet neerbuigend bedoeld.

De plattegrond bestaat uit een rechthoek, opgebouwd uit een middenvleugel – gedragen door de onderdoorgang – met aan weerszijden twee door drie vleugels omgeven binnenplaatsen. Op de vier hoeken van het complex zijn paviljoens of hoektorens ontworpen met ruimten voor trappenhuizen. Op dezelfde wijze wordt de middenvleugel aan de west- en oostzijde door torens geflankeerd. Cuypers gaf `zijn' Rijksmuseum een symmetrische plattegrond waardoor het immense bouwwerk bijeengehouden werd door een heldere structuur.

Zo onaangeroerd als het uiterlijk van het museumgebouw bleef, zo gemaltraiteerd is in de loop van de tijd het interieur. De meest bruuske mishandeling vond plaats tussen 1959 en 1969 toen de beide overkapte binnenplaatsen aan weerszijden van de middenas werden volgebouwd. In de westelijke binnenplaats kwam in 1962 een invulling voor beeldhouwkunst en kunstnijverheid. De ruimte van de oostelijke binnenplaats sneuvelde in 1969 voor een inbouw ten behoeve van de Nederlandse geschiedenis.

Met deze ingrepen was Cuypers' heldere ruimtelijke structuur verdwenen. Het gebouw kon nu ook door blinde zalen diagonaalsgewijs worden doorkruist en dat betekende hoge verdwaalrisico's. De glazen kappen met gietijzeren spanten – uiteraard gedecoreerd – waren weliswaar niet verdwenen, maar wel uit het zicht geraakt. Door het opheffen van de binnenplaatsen werd weer een aanslag gepleegd op het oriëntatievermogen van de bezoekers èn van het personeel. Zowel Henk van Os als zijn opvolger Ronald de Leeuw zijn in hun eigen gebouw meer dan eens het spoor bijster geraakt.

Ook door talloze andere ad-hoc inbouwsels, scheidingswanden en tussenverdiepinkjes is het Rijksmuseum langzaam maar zeker verworden tot een `onmogelijk' gebouw. Alleen al het betreden ervan is een beproeving. Eenmaal door de te kleine draaideuren bots je op een rij van voorgaande bezoekers die al door de molen zijn samengeperst. Na de kassa's sta je in een monumentale hal aan de voet van een even monumentaal trapportaal; in werkelijkheid sta je in niemandsland. Waar is de kunst? Een natuurlijke, vanzelfsprekende route dient zich niet onmiddellijk aan. De desoriëntatie in het Rijksmuseum begint al bij binnenkomst.

Maar de echte boosdoener is de vrije onderdoorgang. Toen in 1875 aan drie architecten werd gevraagd – toen heette het een prijsvraag, tegenwoordig zou je het een meervoudige opdracht noemen – voor deze plek in het weiland even buiten de stad, een nieuw te bouwen Rijksmuseum te ontwerpen, was één van de voorwaarden dat het ook een poortgebouw moest worden. De gemeente Amsterdam stelde nadrukkelijk dat het nieuwe museum een groots entree moest bieden naar de toekomstige wijk Amsterdam-Zuid. Men zou in `de poort' blikken kunnen werpen op de binnenplaatsen van het museum waar gipsen replica de klassieke beeldhouwkunst moesten tonen.

Op deze manier, cultureel `gesticht', arriveerde men in het Amsterdam van de twintigste eeuw waar inmiddels ook het Concertgebouw in het polderlandschap was verrezen. De bizarre situatie bij het Rijksmuseum was dat het gebouw uiteraard rijkseigendom was, maar de onderdoorgang gemeentegrond bleef. Deze eigenaardige constructie heeft het Rijksmuseum altijd parten gespeeld.

De winnaar van de drievoudige competitie, P.J.H. Cuypers, maakte de doorgang aan beide lange zijden open zodat het licht van de met glazen kappen overdekte binnenplaatsen de gewelventunnel van een geheimzinnig, indirect schijnsel voorzag. Samen met het bebouwen van de binnenplaatsen werd ook dit schijnsel gedoofd.

De zes traveeën tussen de zware zuilen aan weerszijden van de onderdoorgang werden met natuursteen dichtgemaakt waardoor elke visuele relatie met het innerlijk van het museum werd verbroken. Wie sindsdien onder het Rijksmuseum doorgaat, begeeft zich door een halfschemerige Piranesi-wereld en door een penetrante urinelucht die niet wordt verzoet door de klanken van een eenzame Surinaamse steelbandspeler.

Het is onvoorstelbaar dat deze situatie tot op de dag van vandaag kon voortduren. Als het gaat om toegankelijkheid, helderheid en functionaliteit is het belangrijkste museum van het land een achterlijk gebouw.

Architect Hans Ruijssenaars – hij maakte van het oude Amsterdamse postkantoor achter de Nieuwe Kerk, ook een 19de-eeuws gebouw, het vitale winkelcentrum Magna Plaza – ontwierp een masterplan voor het Rijksmuseum. Dat wil zeggen: hij inventariseerde alle functionele en esthetische problemen van het gebouw om er vervolgens oplossingen voor te zoeken. Het zijn geen hemelbestormende nieuwigheden waarmee hij op de proppen is gekomen. Grotendeels zijn het zelfs oude ideeën die hij in praktische samenhang heeft gebracht. De boodschap is eenvoudig: terug naar de oorsprong, terug naar de ruimtelijke structuur van Pierre J.H. Cuypers. De binnenhoven onder de transparante kappen moeten weer worden opengemaakt.

In de tekeningen van Ruyssenaars zijn nog niet alle invullingen uit de jaren zestig verdwenen, maar de jongste ideeën wijzen in de richting van een radicale teruggang naar de oorspronkelijke leegte. De vermaledijde onderdoorgang die er altijd voor heeft gezorgd dat de museumbezoeker negen meter moest klimmen en weer negen meter moest dalen om van de westelijke vleugel naar de oostelijke te komen, dreigt eindelijk zijn onaantastbaarheid te verliezen.

Er schijnt nog een klein zetje nodig te zijn , maar dankzij de herinrichting van het Museumplein is de Fietsersbond niet meer zo gebrand op de onderdoorgang omdat recente metingen hebben uitgewezen dat alternatieve routes om het gebouw heen net een paar seconden korter zijn. De tweemaal zes traveëen aan weerszijden van de tunnel kunnen van het afschuwelijke grijze marmer worden ontdaan. Het licht van de dan weer opengemaakte binnenplaatsen zal van de sombere poort een feestelijke foyer maken waar links en rechts de ideale entreepartijen zich aanbieden van Het Nieuwe Rijksmuseum.

Het klinkt allemaal heel vanzelfsprekend. Met een eerste gift van de staat van honderd miljoen gulden lijkt de financiële aanzet gegeven. Voor het culturele nationale instituut Rijksmuseum zullen de resterende driehonderd miljoen die voor deze plannen nodig zijn er ook wel komen. Het ondergrondse depot is aangelegd. Het gebouw van het Veiligheidsinstituut aan de overkant van het Rijksmuseum is aangekocht en zal fungeren als nieuw onderkomen voor restauratie-ateliers. In de voormalige Teekenschool gaan vermoedelijk de conservatoren huizen. Zo wordt het hoofdgebouw van Cuypers ontlast en komt het straks weer helemaal beschikbaar voor publieke tentoonstellingsruimten.

Om de omvangrijke operatie te kunnen uitvoeren is sluiting van het hoofdgebouw onvermijdelijk. Volgens de huidige plannen zal dat gebeuren vanaf de herfst van 2003 tot de lente van 2006. De Zuidvleugel, waar zo'n tweehonderd schilderijen kunnen hangen, zal open blijven. Het publiek heeft het recht om permanent de grootste schatten van het Rijksmuseum te kunnen blijven zien, de Nachtwacht voorop.

VERBOUWING

    • Max van Rooy