`Hollandse ziekte' aan de fjorden

Noorwegen gebruikt zijn olie- en gasinkomsten op een verkeerde manier. Al bijna een derde van de Noren werkt in de publieke sector, twee keer zo veel als het gemiddelde in de Europese Unie. Nog bloeit de economie, is de werkloosheid gering en de inflatie laag, maar de gevaren van de `Dutch disease' liggen op de loer. Dat in dit rijke land een grote staking kon uitbreken, begrijpen zelfs veel Noren niet.

Honderden jongeren lopen door de Rosenkrantzgate op weg naar het parlementsgebouw. Ze dragen spandoeken, ze schreeuwen leuzen, ze fluiten, ze lachen en zijn uitgelaten. De meesten gaan kleurrijk gekleed. Ze eisen vrije softdrugs. Het is zatermiddag hartje Oslo. Verderop in de stad joggen 36 duizend vrouwen uit het hele land een afstand van vijf kilometer een jaarlijkse traditie: mannen zijn niet welkom.

Dit land is zes dagen door een ernstige staking getroffen. Op de zevende dag is die opeens voorbij, even snel als ze gekomen was. En al die dagen zitten de caféterrassen vol, flaneren de mensen vrolijk op de boulevard langs de Oslofjord en is, op een mopperende bezoeker voor een dichte bioscoop na, van de hele staking eigenlijk niets te merken.

Goed, er zijn hotels dicht, op de deur hangen bordjes `wegens staking gesloten'. Kranten verschijnen niet en buitenlandse bladen arriveren bij de kiosken met vertraging. Een cafébaas is bang dat hij zondag door zijn bier heen is. Maar dit zijn rimpelingen in het rijke Noorse leven, dat joggend of flanerend of demonstrerend zijn gang gaat. Het zomert in Oslo en het is alsof de stad een vrolijk masker heeft opgezet en het grootste sociale conflict sinds de jaren tachtig verdringt, zich ervoor schaamt.

Op de tweede dag toonden de stakers even hun gezicht. Voor het parlementsgebouw wordt gedemonsteerd, rode vlaggen, een klein luidruchtig groepje. Vrijwel niemand die er aandacht aan schenkt. Ongeïnteresseerde gezichten op het gazon. De linkervleugel van de vakbeweging roert zich. Ze heeft een overwinning geboekt, ze kreeg voor het eerst een meerderheid van de vakbondsleden aan haar zijde, en ze gaat door met de strijd.

Dat in dit rijke Noorwegen – rijk door zijn olie en aardgas – een grote landelijk staking kon uitbreken, wekt verbazing. Veel Noren begrijpen het zelf niet. De economie bloeit, de werkloosheid is laag, de inflatie gering, en er is een torenhoog overschot op de rijksbegroting.

,,Dit land lijdt aan de Dutch disease'', meent Tor Steig, ondanks het feit dat Noorwegen een deel van zijn olie- en gasinkomsten reserveert voor later. Steig is oud-ambtenaar op Financiën en nu top-econoom bij de werkgeversorganisatie Naeringslivets Hovedorganisasjon. Die huist in een groot nieuw gebouw aan de rand van Oslo dat oogt als een vesting. Er werken 300 man. Grijze pakken lopen in en uit; limousines wachten voor de deur. Op de vijfde verdieping krijgen ondernemers uit de regio de jongste instructies met het oog op de staking; ergens anders op dezelfde verdieping krijgt de buitenlandse bezoeker een werkgeverslesje in Noorse economie.

Dutch disease? Ja, zegt Steig, net als destijds Nederland zijn aardgasinkomsten gebruikt Noorwegen zijn olie- en gasinkomsten voor de verkeerde overheidsbestedingen. Dat begon toen de economie in een recessie zat en is niet opgehouden toen de economie begon te bloeien. Intussen werkt bijna een derde van de Noren in de publieke sector, twee keer zo veel als in Duitsland en bijna twee keer zo veel als het gemiddelde in de EU. De werkgelegenheid in de industrie is nog geen 14 procent, tegenover een kwart in de EU. Inkrimpen van de publieke sector bij stijgende olieprijzen durven de politici niet aan, zegt hij, en al helemaal niet als de olieprijzen dalen. ,,Het begrotingsinstrument is bot geworden.''

Ook het monetaire instrument heeft volgens hem aan scherpte verloren, want renteverhogingen maken de Noorse kroon nog sterker (tegenover de euro) en ondermijnen de concurrentiepositie tegenover Duitsland, naast Engeland en Zweden de belangrijkste handelspartner. Blijven over de lonen. En juist tegen de broodnodige bescheiden loonsverhoging hebben de vakbondsleden nu in grote meerderheid hun kont gekeerd.

Steig voorspelt dat, net als bij een loonstaking in 1996, ook deze staking, die weliswaar veel groter is en zelfs de allergrootste uit de jaren twintig nog dreigt te overtreffen, toch met een compromis zal eindigen; een compromis dat niet noemenswaardig afwijkt van het akkoord, dat de vakbondsleden met 65 procent van de stemmen verworpen hadden. Zijn voorspelling komt niet uit.

De staking was afgelopen dinsdag voorbij, maar tegen een hoge prijs. De werkgevers kwamen de nieuwe eisen van de vakcentrale, die namens de 28 aangesloten bonden (met 800.000 leden) onderhandelde, verregaand tegemoet. De loonsverhoging wordt verdubbeld, de bedongen extra week vakantie gaat voor een deel al eerder in en de afgesproken looptijd van de CAO wordt teruggebracht van drie tot twee jaar.

De staking is voorbij, maar de Noorse reputatie is beschadigd. Afgelopen maandag, op de laatste stakingsdag, moest Saab in Zweden zijn productie stilleggen bij gebrek aan auto-onderdelen uit het buurland. En BMW heeft gedreigd naar andere leveranciers uit te zien. In Noorwegen houdt men het voor mogelijk dat met name de Duitse auto-industrie haar Noorse toeleveranciers vroeg of laat alsnog de rekening voor de staking zal presenteren. Dat zou de Noorse economie, die niet als Zweden of Finland over een Ericsson of Nokia beschikt, een zwaar verlies opleveren. Noorwegen heeft vooral olie, gas en vis, maar geen echt structurele groeisector, geen jonge, `nieuwe economie', tenminste niet van betekenis.

De forse loonsverhoging heeft tot gevolg dat de Noorse concurrentiekracht op de exportmarkt gevaar loopt en op de binnenlandse markt wordt aangetast en tot meer invoer leidt, zeggen waarnemers. Bedrijven die tot nu toe door de jarenlang bescheiden looneisen een betrekkelijk afgeschermd leven lijden op de binnenlandse markt, zullen de kille wind van de internationale concurrentie aan den lijve voelen – precies die bedrijven waarin de linkervleugel van de vakbeweging sterk vertegenwoordigd is.

Werkgeversvoorzitter Finn Bergesen zei afgelopen dinsdag nadat het nieuwe akkoord gesloten was: het zal meer tijd vergen om onze loonontwikkeling in overeenstemming te brengen met die van onze handelspartners – een understatement. Hij waarschuwde voor oplopende werkloosheid. In Noorwegen groeien de loonkosten per eenheid product al geruime tijd harder wegens de lage productiviteit. Vooralsnog hebben de werkgevers de staking afgekocht, begrijpelijk bang als ze zijn voor strafmaatregelen uit Duitsland.

,,Het probleem met onze economie – een olie-economie – is dat we niet de kunst verstaan die goed te managen'', zegt econoom Tor Steig. ,,We vergeten snel de geschiedenislessen.'' Door de dollarstijging verdient Noorwegen nog meer aan de olie (die in dollars wordt afgerekend) dan de gestegen olieprijs al aan extra inkomsten voortbrengt (de staatsinkomsten bestaan voor een zesde deel uit olie-inkomsten), maar dat maakt de economie nog kwetsbaarder, nog afhankelijker van de olie-industrie, meent hij. ,,We moeten onze exportbasis verbreden. We hebben inderdaad geen Nokia, geen Ericsson, maar we kunnen wel veel meer doen in de visindustrie. We zijn al heel groot in zalm, met name op de Japanse markt, maar we zouden de visteelt sterk moeten uitbreiden. We hebben alles mee: de lange kustlijn, de grondstoffen, de oceaan, de diepzeetechnologie.'' Het klinkt als een zwakke hoop.

De Noorse afhankelijkheid van olie en gas (Noorwegen is de grootste olie-exporteur ter wereld na Saoedi-Arabië) blijkt natuurlijk ook als de olieprijzen op de wereldmarkten dalen. Tenslotte dragen de olie-inkomsten een zesde bij aan het Noorse bruto binnenlands product en een derde aan de export. De olie-industrie en alles wat daaraan vastzit is bovendien een grote investeerder. Door de dalende olieprijs tot en met 1998 krompen de investeringen in de oliesector vorig jaar met een zevende, dit jaar zullen ze naar schatting met een kwart verminderen (de mutaties in de olieprijs werken vertraagd in de investeringen door). Daarentegen verdubbelt door de gestegen olieprijs dit jaar naar verwachting het overschot op de lopende rekening van de betalingsbalans en verviervoudigt de economische groei, een groei die vorig jaar nog vrijwel stokte (maar gemeten over de afgelopen tien jaar wel het dubbele was van het EU-gemiddelde). Zo danst de Noorse conjunctuur op de maat van de olieprijzen.

De zesdaagse staking in de marktsector zal de werknemers in de publieke sector aanmoedigen te volharden in hun nog veel hogere looneisen (10 procent). ,,Ik had eerlijk gezegd ook verwacht dat daar dit jaar de staking zou uitbreken,'', zegt Svein Thompson, economisch en politiek commentator van de Dagens Naeringsliv, de 110 jaar oude Noorse zakenkrant, gevestigd achter het eeuwenoude Akerhusslot. Nu de werknemers in de marktsector zulke goede zaken met hun werkgevers hebben gedaan, zullen die in de publieke sector allicht proberen bij hun werkgever hetzelfde te bereiken. Eind deze maand bestaat daarover duidelijkheid, eerst moeten de onderhandelaars volgens voorgeschreven regels een bepaalde procedure doorlopen met inbegrip van de inschakeling van een zogeheten staatsbemiddelaar.

Noorwegen dreigt volgens waarnemers met zijn loonkosten almaar verder uit de pas te lopen, het gevaar van aanwakkerende inflatie uit te lokken en de centrale bank uit te nodigen de rente verder te verhogen. De zeer krappe arbeidsmarkt in Noorwegen zijn maar 30.000 buitenlanders, Zweden en Denen vooral, en een handjevol Srilankezen, Afghanen en Ethiopiërs – was voor de centrale bank vorige maand al reden de rente met een kwart punt tot 5,75 procent te verhogen.

Inflatie en rentestijgingen zullen de loonsverhogingen `opeten', zei deze week een financiële analist in Oslo. Voor de werknemers in de marktsector blijft dan de bedongen vijfde vakantieweek over, zij het dat het sociale akkoord toelaat dat tussentijds kan worden onderhandeld over aanpassingen aan de inflatie. Dat zou wellicht een haas-je-over in lonen en prijzen en daarmee een opwaartse inflatiespiraal op gang kunnen brengen, die het land verder doen afdrijven van de koers van zijn handelspartners. Zeker omdat de Noorse economie, net als de Nederlandse, open is met een hoge in- en uitvoerquote. Een kenmerk, dat elke gesprekspartner tegenover de Nederlandse bezoeker graag beklemtoont.

Op zondagochtend – op de vijfde stakingsdag – zijn de straten in Oslo leeg en verlaten, op een enkele vroege wandelaar na. Zwerfvuil in deze gewoonlijk brandschone stad ligt opgetast in een portiek van een chique modezaak in het centrum. De vuilnisdienst van de gemeente werkt wel, maar de dienst is voor een deel van zijn taak afhankelijk van particuliere bedrijven, en daar wordt gestaakt. De eerste sporen van de staking die eind deze maand misschien de publieke sector treft, staren de wandelaar onheilspellend aan.

    • Paul Friese