Hokjesdenken beheerst literaire critici

Veel literaire journalisten hebben de keuze voor Rushdie als auteur van het boekenweekgeschenk bestempeld als een knieval voor de bestsellercultuur. Het wordt tijd voor een nieuwe generatie critici, meent Herman Stevens.

Als schrijvers boeren waren dan werd de volgende boekenweek zeker verstoord door boze schrijvers die hun onverkochte boeken met karrenvrachten voor de winkels stortten. Sinds bekend werd dat Salman Rushdie het boekenweekgeschenk van 2001 gaat schrijven, is de controverse over deze keuze nog niet uitgewoed.

Het is de eerste keer dat het geschenk wordt geschreven door een buitenlandse auteur en voor veel schrijvers wordt hiermee afbreuk gedaan aan de doelstelling van de boekenweek. Die wordt immers georganiseerd door de Stichting Collectieve Propaganda voor het Nederlandse Boek (CPNB), en hoe prachtig Rushdie ook wordt vertaald, het wordt nooit een Nederlands boek.

De bezwaren van de schrijvers berusten op eerlijk eigenbelang. De boekenweek moet onze schrijvers bij een groot publiek in huis krijgen, te beginnen met het geschenk dat in een gigantische oplage wordt weggegeven. En wanneer het thema van de boekenweek 2001 `schrijven tussen twee culturen' is dan had de CPNB makkelijk kunnen zoeken onder de generatie allochtone schrijvers die de laatste tien jaar is opgestaan. Met het boekenweekgeschenk had Kader Abdolah, Hafid Bouazza, Mustafa Stitou of Abdelkader Benali bij een groter publiek kunnen doorbreken.

Het is allemaal waar, maar het is de halve waarheid. In die klaagzangen over `de grote cheque' die naar Rushdie is gegaan (zoals Benali het in De Volkskrant formuleerde) zit ook iets denigrerends. Het is hokjesdenken. Er wordt geredeneerd alsof 2001 de enige kans is voor een allochtone schrijver om voor het boekenweekgeschenk in aanmerking te komen. Voor een normaal thema nemen we immers gewoon een blonde stamppot-Nederlander. Zo worden de allochtonen in hun hokje gehouden.

Bij de jaarlijkse literatuurwedstrijd voor jonge allochtonen El Hizjra merken deelnemers al dat je geen kans maakt met een gedicht over liefde en een ander universeel verdriet. Je moet allochtoon blijven.

Het werkelijke `schandaal in Holland' (zoals Elsbeth Etty de keuze voor Rushdie betitelde) is dat nog steeds niemand zich kan voorstellen dat de boekenweek over een paar jaar over zoiets als `moederliefde' zal gaan en dat Hafid Bouazza dan het geschenk zal schrijven, want hij heeft een moeder, net als alle andere schrijvers in dit land.

Veel commentatoren hebben de keuze voor Rushdie bestempeld als een knieval voor de bestsellerscultuur. Na Mulisch, Palmen, Van Dis en De Winter heeft het CPNB de Nederlandse literatuur wel zo'n beetje `uitgewoond', meende Michael Zeeman, en moest er over de grens worden gezocht naar een geheid kassucces.

Zo beschuldigde Sjoerd de Jong, redacteur van deze krant, het CPNB ervan de Nederlandse letteren te hebben verraden voor het internationale `flitskapitaal' (opiniepagina, 3 mei). Het boekenweekgeschenk zou een pion worden in de wereldwijde hype van de internationale uitgeverijen, waarin geen plaats is voor het `amateurisme en de kleinschaligheid' van onze literatuur.

Het is de vraag of er veel schrijvers in dit land zijn die het prettig vinden om naar het rijk van amateurisme te worden verwezen. En het moet lang geleden zijn dat De Jong tijdens de boekenweek een boekhandel heeft bezocht, want daar is niets kleinschaligs aan. De bestsellers worden met bergen tegelijk de winkel ingerold. Er zijn lezers die er rond de boekenweek uit de buurt blijven, want dan gaat het niet meer over lezen. Het gaat over omzet. Geen uitgever piekert erover om tegen de boekenweek een mooie dichtbundel of een intrigerend debuut uit te brengen, omdat de boekhandel in maart verandert in een kiloknaller. Dat is al tientallen jaren zo geweest.

De tirade van De Jong tegen literaire hypes is aan het verkeerde adres gericht. Het boekenvak wil zoveel mogelijk boeken verkopen. Daar hoeft niemand illusies over te hebben. Maar van de journalistiek verwachten we onafhankelijkheid, ook als het over de literatuur gaat. Toch is de literaire journalistiek vaak een slaafs instrument in de omzetmachine van de uitgeverijen. Zonder de steun van de journalistiek komt een hype nergens. In de krant wordt de oversteek gemaakt van pure reclame naar informatie die telt.

Elke maand toveren de media een nieuwe sensatie uit de hoge hoed. Boekbesprekingen citeren hoe hoog het voorschot was dat de auteur ving, in hoeveel talen het boek al is verkocht en hoe hoog het promotiebudget is.

Het is risicoloze sales talk en vrij vertaald luidt die: de baas gelooft in dat boek. Als een uitgever geen herrie rond een boek maakt, nemen we al gauw aan dat hij er zelf niet in gelooft. Zo komt het dat we allang niet meer naar de winkel gaan om een boek te kopen. We kopen de promotie. Het boek is maar een bijproduct.

De Jongs tirade tegen het literaire flexkapitaal is de uiting van een slecht journalistiek geweten. De hype rond Rushdie's rock `n' roll-roman The Ground beneath her Feet (1999) werd ondersteund door een ploegje journalisten, met wie de schrijver op een geheime locatie sprak op een manier die het recente jubileumgesprek met koning Beatrix nog een ongeremde boel maakte. De Jong moet daar een slechte smaak aan hebben overgehouden, blijkens de bruine retoriek van zijn stuk, waarin Rushdie wordt afgeschilderd als een ontaarde schrijver die wordt gepusht door het kosmopolistisch grootkapitaal. Dat kan hij niet bedoelen.

En het helpt niet. Het cynisme van de hype wil dat kritiek het vuur net zo goed opstookt. Controverse sells. De protesten tegen het Rushdie-boekenweekgeschenk houden het `omstreden boekenweekgeschenk' ook in het nieuws. Straks zullen de stapels weer hoger worden, want klagen over hype is ook een vorm van hype en een van de effectiefste. Hype is een spel dat de journalist nooit kan winnen.

De literaire journalistiek heeft haar geloofwaardigheid verloren. Wie geduldig genoeg is om de boekenpagina's van de krant te lezen, herkent de hype-van-de-maand al op afstand. Wie één keer zo'n prefab-succes heeft gezien, heeft ze allemaal gezien. Daar lezen we geen krant voor, terwijl we nu echt moeten zoeken naar een criticus die voor een boek door het vuur gaat. Dat steekt immers zo stoffig af bij de talkshows waar de sellers al jaren in de markt worden gezet. De pers hobbelt daar alleen maar achteraan.

Er is maar één middel tegen hype en dat is lezen. Hype gaat nooit over het boek dat we in huis halen. Het gaat altijd om de buitenkant. Hype wil niet eens dat we een boek lezen, want in de tijd dat we thuis zitten, konden we alweer in de rij voor de kassa staan.

Lezen is tijdverspilling. Een literaire journalistiek die kassuccessen wil scoren, is geen journalistiek meer. Daarom wordt het tijd voor een nieuwe generatie critici die hardnekkig blijft lezen en de boeken alleen neerlegt om ons er bevlogen over te vertellen.

TEGENSPRAAK: www.nrc.nl

    • Herman Stevens