De ronde van Spanje

Wie de woorden albondigas, tortilla, cabrales en aceitunas direct herkent, is er waarschijnlijk al eens geweest: de tapasbar. De Spaanse borrelhap mag zich ook in Nederland verheugen in grote populariteit en met name in Amsterdam is het aanbod groot. Een Spaanse wandeling door de hoofdstad onder het genot van balletjes gehakt, omelet, blauwe kaas en olijven.

Doorgaans blijft een avondje tapas eten beperkt tot een enkel restaurant. Een verblijf van drie maanden in de bakermat van de tapa, de Spaanse provincie Andalusië, heeft mij geleerd dat het ook anders kan: een avondwandeling langs verschillende tapasbars om bij elk een enkel hapje en glaasje te nemen. Al wandelend het avondmaal bij elkaar sprokkelen.

De uitgestippelde route begint bij Pata Negra, in de Utrechtsestraat, een van de populairste tapasplekken van de stad en daarom een mooi startpunt. De zaak, met de nodige tegeltjes en Spaanse muziek, is zoals altijd chaotisch en stampvol. Wie ruimzittend lekker rustig wil tafelen, moet hier niet komen. De bediening is Spaans en het publiek zonder uitzondering jong en Nederlands. Er zijn een paar zekerheden bij Pata Negra: de bestelling gaat altijd wel ergens fout, reserveren is noodzakelijk en de veertig tapas op de kaart zijn doorgaans meer dan redelijk van smaak.

Over de grachten lopen we door naar de Reguliersdwarsstraat, de gay-straat van de hoofdstad, en nestelen ons in El Niño. Het is een beetje morsige zaak, zeker niet de laatste van de avond. Er hangen wat Spaanse posters en een antieke kroonluchter, de serveerster spreekt alleen Spaans en Engels en de keuze bestaat uit ongeveer 24 tapas. We bestellen cabrales tostado en champinones fritos. De blauwe kaas op brood en de gefrituurde champignons smaken prima, maar zijn, net als de andere tapas, wel aan de prijzige kant. Aardige tent voor laat op de avond als het er drukker is.

Niet veel later wanen wij ons in Barcelona. Tapasbar Catala in de Spuistraat is zonder enige twijfel de kleinstbehuisde van de bezochte tapasbars, maar ook een van de meest indrukwekkende. We eten tomaquet, het Barcelonese tomatenbrood met olijfolie. Vele flessen wijn van het uitstekende huis Torres, gelegen nabij de Catalaanse stad, worden ontkurkt voor de grotendeels Spaanse cliëntèle. Er zijn ongeveer vijftien tapas die à ƒ4,75 per stuk scherp geprijsd zijn. Het eten is uitgestald in virtrines op de marmeren toog. Niet een plek om met een grote groep te komen, maar perfect voor met zijn tweeën.

Hetzelfde geldt eigenlijk voor A la Plancha. Nadat we enkele grachten hebben overgestoken, bevinden we ons in een kleine bar aan de Eerste Looiersdwarsstraat. Een echte tapasbar dit keer, want hoofdgerechten kennen ze niet. De bar is lang, maar veel ruimte is er niet. De enorme opgezette stierenkop boven de bar is met geen mogelijkheid te missen. Voor het eerst, en voor het laatst deze avond, krijgen we bij binnenkomst een gratis hapje: sardientjes. We voegen er nog brood met zeer krachtige aioli, prima mosselen en helaas te heet gemicrowavede aardappeltjes aan toe. Wie er een echt Andalusisch biertje bij wil drinken, is hier aan het goede adres: ze hebben Cruzcampo.

Ook bij de volgende halte stoppen we altijd graag: Manzano. Gelegen op de Rozengracht is dit de ruimste en best georganiseerde van de tapastenten. Je maakt je keuze uit een veertigtal bijna altijd verrukelijke tapas, schrijft het op een bonnetje, levert deze in en je krijgt zowaar wat je bestelt. Vooral voor grotere groepen is dit een ideale plek.

De volgende stop heeft helemaal niets met Spanje te maken. Het onlangs geopende Cantina La Chica, zo'n 25 tapas op de kaart, is op en top Nederlands. Een beetje hippe tent in felle kleuren, geen Spaanse toestanden aan de muur en trendy muziek. Eerder een soort loungeplek waar ze toevallig tapas verkopen. Maar met een terras en uitzicht op de Prinsengracht een niet te missen halte op onze ronde van Spanje.

Paso Doble aan de Westerstraat kent exact dezelfde kaart en hectiek als `zusterbar' Pata Negra. Ook hier een veertigtal tapas, een grotendeels Nederlands jong publiek en hardschreeuwende Spaanse bediening die meestal wel wat fout doet met de bestelling of de rekening. Lees dit overigens als een niet al te groot verwijt: ze hebben me ook wel eens een fles rosé te weinig berekend.

Met het einde in zicht lopen we door naar Casa Juan, even verderop aan de Lindengracht. Eigenlijk een beetje uitgetapaad, gaan we zitten in Casa Juan, een no-nonsense Spaans restaurant waar ze behalve de hoofdgerechten ook een vijftiental tapas verkopen. Casa Juan is eerder een uitwijkplaats voor Spanjaarden met heimwee: er hangt een Real Madrid-vlag, wat oude foto's aan de muur en de tv staat zonder geluid aan. Wel een aparte sfeer, maar niet echt bijzonder als het gaat om tapas.

De grote finale is dat echter wel: Duende, net tegenover Casa Juan. Duende is redelijk ruim, heeft veel foto's van flamencodansers aan de muur, wat tegeltjes en heeft de leukste kaart van alle bezochte etablissementen. De kaart telt wat bijzonderheden die elders niet of nauwelijks voorkomen: vreemde kazen als Idiazábal (Baskische rookkaas), vegetarische paella, sobrasada mallorquina (zachte chorizo uit Mallorca) en de criadillas de toro, de gebakken stierenballen met sherrybouillon. Veel Iberischer wordt het niet.

    • Tijn Kramer