Bach met een lach

Al is Johann Sebastian Bach inmiddels 250 jaar dood, in Amsterdam kunnen we hem zien en naar hem luisteren. In het Filmmuseum in het Vondelpark worden deze maand tientallen Bach-films uit de periode 1930-1980 vertoond. Het materiaal is zeer gevarieerd: beelden uit internationale tv- en filmarchieven, klassieke vertolkingen en jazz- en rockbewerkingen. Bach wordt herdacht door uiteenlopende types als Pablo Casals, Procul Harum, Glenn Gould en Jan Svankmajer.

`Bach met een lach' was een betere titel geweest voor het muziekfilmprogramma dan `Uitvoeringen van Bach'. Er is onder andere een parodie te zien op een cantate van Bach door acteur Peter Ustinov, uitgezonden door de Franse televisie in 1963. Met gesloten mond imiteert Ustinov in Bachstijl allerlei instrumenten. Als hij zijn mond opdoet, klinkt daar de telkens herhaalde tekst: `Ach lieber Gott, sei doch nicht bös'. Goddelijke boosheid lijkt uitgesloten, zeker als Bach zelf in de film voor Ustinov opkomt. Bach is immers, zo luidt de algemene consensus in de muziekwereld, ,,het beste dat God ooit is overkomen''. Bach kon met zijn muziek ook geestig zijn: luister naar zijn Kaffeecantate.

In de film Die Chronik der Anna Magdalena Bach (1968) van Jean-Marie Straub zal Bach ons vertrouwd voorkomen, want hij wordt gespeeld door `onze' bepruikte Amsterdamse klavecinist en organist Gustav Leonhardt.

Bach is vaak feest: zie bijvoorbeeld de film `Concert in A mineur', over de vele beroemde musici die in 1950, het vorige Bachjaar, bij elkaar kwamen in het Franse dorpje Pradès in de Pyreneeën. Daar, vlakbij de Spaanse grens, leefde de Spaanse cellist Pablo Casals sinds de overwinning van generaal Franco in de Spaanse burgeroorlog in ballingschap. Casals richtte er ook een festival op, met veel Bachmuziek, en we zien hen bij een plaatopname van het Vioolconcert in a-klein met de nog jonge Isaac Stern als solist.

De stemming op de bijeenkomst is opgewekt, God en Bach houden niet van Franco, zoveel is duidelijk. Casals zingt telkens wat voor, er wordt met veel liefde gemusiceerd. Buiten aan het raam luistert een groepje jonge mensen naar wat er binnen is te horen. Een van de musici arriveert op de fiets, de viool onder de snelbinders. Het lijkt een scène uit de film Fanfare (1958) van Bert Haanstra.

Bulderlachen is het om de pompeuze wijze waarop Bach door dirigent Leopold Stokowski en het Philadelphia Orchestra wordt gepresenteerd in de Hollywoodfilm The Big Show of 1937. Glimlachen is het om een film met een nog jonge Ton Koopman aan het klavecimbel (1977), die met zijn lange haren zoveel ouder leek dan nu. We grinniken om pianist Glenn Gould, die zich 24 minuten lang alleen maar in bochten wringt bij het spelen van het Brandenburgse concert nr 5. Maar Bach kan ook zonder enige overbodige beweging worden gespeeld. De violist Jasha Heifetz blijft met zijn voeten doodstil op het kruisje staan dat op het parket is geplakt en speelt een kwartier lang de Chaconne uit de Partita nr 2: alleen zijn linkervingers en zijn rechterarm bewegen.

    • Kasper Jansen