Tien mei 1940, virtueel

Vandaag is het 60 jaar geleden dat voor Nederland de Tweede Wereldoorlog begon. Het is geen datum die we herdenken. Hoe zouden we dat ook moeten doen? Het is geen historische aanleiding om nu feest te kunnen vieren. De Nederlanders die toen, op de vroege ochtend om een uur of vier, vaag begonnen te beseffen wat gaande was, worden ook al schaars. Degenen die weten wie prof. Loe de Jong is, horen tot een snel slinkende minderheid. Als de tiende mei `leefde', zou je kunnen overwegen de datum op te nemen in een gemoderniseerd pakket van herdenking en bevrijding. Maar laten we er niet aan morrelen. Al een halve eeuw gaan we aan deze dag voorbij. Ongemarkeerd door plechtigheden blijft 10 mei 1940 een van de belangrijkste data in onze geschiedenis, want toen is het ongeschonden land na anderhalve eeuw neutraliteit de grote wereld ingesleurd.

Er bestaat een soort geschiedschrijving, de virtuele, die zich afvraagt hoe de wereld eruit zou zien als Hitler de oorlog had gewonnen. Op z'n best leidt zo'n vraag tot een ernstig spel waarbij men zich verdiept in de vraag wat hij dan had moeten doen en nalaten waardoor het zo ver zou zijn gekomen. Een oefening in verbeeldingskracht zonder consequenties. Zo kunnen we ons ook afvragen wat gebeurd zou zijn als Nederland erin geslaagd was opnieuw neutraal te blijven. Zo absurd is die veronderstelling niet. Tot op het ogenblik waarop het land in de oorlog werd betrokken, heeft de regering er alles aan gedaan om de koers van 1914-1918 te volgen. En wat meer zegt: er werd in Den Haag ook op hetzelfde resultaat gerekend. Een jaar of twintig na de oorlog heb ik Eelco van Kleffens, in 1940 minister van Buitenlandse Zaken, gevraagd waarom Nederland zo angstvallig geen serieuze toenadering tot Engeland had gezocht. Hij zei: ,,Wij vonden het Verenigd Koninkrijk te zwak.'' Dat hij daarin geen ongelijk had, is in juni 1940 gebleken. De regering had geen keuze. Met de neutraliteitspolitiek bouwde ze op drijfzand, maar toenadering had het prijsgeven van zelfs die fundering betekend; voor Hitler de gezochte provocatie. De inval was onafwendbaar. De beproefde grondslag van onze buitenlandse politiek deugde niet meer, maar er was geen andere.

Wat als Nederland neutraal was gebleven? De belangrijkste antwoorden liggen voor de hand: er was geen jodenvervolging geweest, Rotterdam was niet verwoest. Deze twee rampen kunnen geen onderwerp van een virtuele geschiedschrijving zijn. Maar op nog andere manieren hebben vijf jaar oorlog de geschiedenis een wending gegeven. De oorlog heeft onze cultuur, de economie en omgangsvormen veranderd, de plaats van Nederland in de wereld en onze kijk op onszelf. De rest van Europa was al in 1914 aan `deze korte eeuw', de twintigste, begonnen; wij in 1940. Aan Zweden en Zwitserland zijn de oorlogen voorbijgegaan.

Behalve de denkbeeldige plaats van een neutraal Nederland in Europa is er nog een virtueel vraagstuk. Wat had het volk gewild hoe de regering had gehandeld in 1941, als reactie op de Japanse verovering van Nederlands Indië? Dat was voor Den Haag een verschrikkelijk dilemma geweest, want met zekerheid kunnen we zeggen dat wij, door deel te nemen aan de Aziatische oorlog, in Europa alsnog door de Duitsers kansloos zouden zijn weggeveegd. Hadden we – met de toen verpletterende Duitse overwinning in Europa voor ogen, de verwoesting van Coventry en de Blitz boven Londen – Insulinde voorlopig roemloos opgeofferd, in de hoop op betere tijden? Geen Slag in de Javazee? Zouden we ook Amerika (na Pearl Harbour) als bondgenoot te zwak hebben bevonden? Iedere consequente redenering voert naar de duivel. Dat is het enige antwoord.

Het uitgangspunt blijft dat Nederland door dik en dun erin zou zijn geslaagd, neutraal te blijven. Daaruit volgt de virtuele vraag van na de oorlog. Wat hadden wij in en met ons onbecijferbaar rijker land in 1945 gedaan? De neutraliteit had Nederland al in het Interbellum het gedrag en het imago van een zekere provincialiteit bezorgd. Onwaarschijnlijk dat we daarvan zouden zijn genezen. Aan onze erkenning van de Indonesische soevereiniteit is al een martelgang voorafgegaan. Het is, binnen onze vooronderstelling, denkbaar dat de worsteling met een neutraal gebleven Nederland, niet belast door de kosten van de wederopbouw, nog langer had geduurd.

Voor de oorlog verliep hier het openbare leven volgens strenge hiërarchieke regels. De overheersende levensbeschouwing was, ongeacht godsdienst en politieke voorkeur, behoudend. Oorlog en bezetting hebben die vaderlandse fundamenten aangetast. Hadden in een neutraal gebleven Nederland de jaren zestig zich voltrokken op de manier die we hebben meegemaakt? Was die radicale culturele revolutie mogelijk geweest: de verandering van een behoudende, provinciale samenleving in het allertolerantste Nederland van nu? En ook soms het vergeetachtigste, zoals de kwestie van de joodse tegoeden en de daarmee verbonden spijtbetuiging leert?

Op den duur vervagen de gevolgen van alle bijzondere oorzaken. Binnen hun internationale betrekkingen handhaven Zweden en Zwitserland de erfenis van hun neutraliteit, maar in grote trekken zal het leven daar niet veel verschillen van dat in de rest van Europa. De grote culturele en economische uniformering onder de druk van de Angelsaksische, of vooral de Amerikaanse cultuur, doet de nationale verschillen verdwijnen. Vijf jaar oorlog hebben ons onderworpen aan een ongewilde revolutie. Een neutraal gebleven Nederland had waarschijnlijk een plaats in Europa gehad, niet zoveel verschillend van die we nu innemen. Het verschil tussen de virtuele geschiedenis en de werkelijkheid is, dat we door de oorlog gedwongen zijn deel te nemen aan het leven in de grote wereld, en dat we dit in sommige opzichten met verbazende gretigheid hebben gedaan. En verder dat we, na alles wat op 10 mei 1940 is gevolgd, onszelf beter hebben leren kennen, niet altijd tot ons onverdeeld plezier.

    • H.J.A. Hofland