Soldaten erkennen moord in Atjeh

Voor het eerst hebben Indonesische soldaten toegegeven zich schuldig te hebben gemaakt aan het standrechtelijk executeren van burgers in de opstandigde provincie Atjeh. Dertien militairen erkenden gisteren voor de arrondissementsrechtbank in de provinciehoofdstad Banda Atjeh dat ze in juli van het vorig jaar in opdracht van hun commandant 26 scholieren hebben doodgeschoten.

De getuigenis van de soldaten is een doorbraak in de rechtszaak, die de eerste is die wordt gevoerd tegen militairen die excessen hebben begaan in Atjeh. Het proces wordt beschouwd als lakmoesproef op het gebied van mensenrechten voor het bewind van de vorig jaar aangetreden president Wahid. Het proces, dat wordt geleid door een gemengd team van twee militaire en drie burgerrechters, heeft betrekking op een bloedbad dat op 23 juli 1999 plaats vond in Beutong Ateuh, een afgelegen dorpje in het zuiden van Atjeh. Een dorpeling de enige burgerbeklaagde in het proces had de regionale militaire commandant `getipt' dat Teungku Bantaqiyah, een islamitische schriftgeleerde met een eigen schooltje in het dorp, en zijn volgelingen over wapens zouden beschikken en het separatistische verzet in Atjeh zouden steunen. Daarop rukte een militaire kolonne van 215 man uit, onder leiding van luitenant-kolonel Sudjono, met de opdracht ,,de rebellen op te sporen en in te rekenen, dood of levend''. Bantaqiyah en 57 leerlingen werden gefouilleerd, gedwongen zich uit te kleden en vervolgens neergemaaid. Een deel van de doden werd begraven, een deel in een ravijn gegooid. Een onafhankelijke onderzoekscommissie stelde achteraf vast dat Bantaqiyah en zijn leerlingen over geen enkele wapen beschikten.

De dertien soldaten die gisteren werden gehoord, zeiden dat ze 26 leerlingen hebben gedood die gewond waren geraakt bij de eerste aanval op hun school. Maar ze zeiden ook dat ze niet veroordeeld zouden moeten worden voor moord omdat ze tot de executies werden gedwongen door hun commandant Sudjono. Een van de verdachten zei dat hij bezwaar had gemaakt, maar dat Sudjano hem geen keuze had gelaten. ,,Hij had me kunnen neerschieten als ik had geweigerd'', zei hij. Elf andere militairen en de burgerbeklaagde, die ook betrokken waren bij het bloedbad, getuigden afgelopen maandag voor de rechtbank dat ze op die 23ste juli hadden geschoten uit zelfverdediging.

Op het proces in Banda Atjeh is kritiek gerezen omdat de beklaagden meest gewone soldaten zijn. Sudjono, de commandant van de moordbrigade, is al sinds november voortvluchtig. Naar verluidt is hij door medeofficieren geholpen. Toen hij al te boek stond als verdachte, vroeg en kreeg hij buitengewoon verlof en dook onder.

Voorzitter Djoko Soegianto van de Nationale mensenrechtencommissie in Indonesië heeft gisteren een nieuw onderzoek aangekondigd naar schendingen van de mensenrechten in Atjeh die nog steeds plaats vinden.