Debat Kosovo moet gaan over politieke doelen

Rob de Wijk grijpt in zijn stuk `Kosovo-evaluatie omzeilt de kernvraag' (Opiniepagina, 8 mei) het komende debat in de Tweede Kamer over de Kosovo-evaluatie van het kabinet aan om theorieën te ventileren die hij ook in zijn onlangs verschenen boek `Pyrrus in Kosovo' heeft gepubliceerd.

Ten eerste stelt hij dat de kernvraag zou moeten gaan over het vraagstuk soevereiniteit versus humaniteit. Dit is inderdaad een zeer belangrijk vraagstuk, dat vooral door de Kosovo-crisis hoog op de internationale politieke agenda is komen te staan en waarover het kabinet momenteel een aparte notitie voorbereidt. Het lijkt het mij echter logisch dat een parlementair debat over de Kosovo-evaluatie zich primair richt op de vraag of de gestelde doelen zijn bereikt, op de manier waarop de operatie is uitgevoerd, en op mogelijke lessen (onder meer over de kwestie soevereiniteit versus humaniteit) die kunnen worden getrokken.

Ten tweede maakt ook dit artikel van De Wijk nogmaals duidelijk dat hij de hele Kosovo-operatie vooral vanuit militair-strategisch oogpunt bekijkt en niet het uiteindelijke politieke resultaat de maatstaf laat zijn. Dat sommigen De Wijk politieke naïviteit verwijten is dan ook niet verwonderlijk. Anet Bleich (de Volkskrant, 24 maart) verklaarde De Wijks kritiek op Allied Force uit het feit dat ,,de NAVO de strijd niet overeenkomstig het Groot Strategisch Handboek heeft gevoerd. En wat dan nog'', vraagt zij zich terecht af. Het feit dat De Wijk Operatie Allied Force ,,vlees och vis'' noemt, is volgens Bleich ,,haast een vorm van stijlkritiek''.

De Wijks pleidooi voor het lead-nation-concept is vanuit militair oogpunt begrijpelijk, maar is ,,politiek onhaalbaar, principieel ongewenst en ondermijnend voor de NAVO'', zoals Pieter Feith, Director Crisis Management bij de NAVO, eind maart tijdens de Clingendael-conferentie `Pyrrus in Kosovo?' zei. De Wijk heeft geen oog voor de politieke noodzaak om bij dit soort vredes(afdwingende) operaties een zo breed mogelijk politiek draagvlak te hebben. Met name het signaal van eensgezindheid en vastberadenheid dat tijdens de Top van Washington (24-25 April 1999) door alle aanwezige NAVO- én Partnerlanden werd afgegeven, bracht Jeltsin ertoe Clinton tijdens de top te bellen en te zeggen: `Let's talk'.

Een ander probleem met De Wijks pleidooi voor één leidend land is dat bij de uitvoering van vredesafdwingende operaties de NAVO bepaalde zelfopgelegde regels en beperkingen in acht moet nemen. Als één land het voor het zeggen heeft, kan het voor methodes kiezen die onacceptabel voor anderen zijn. Pure militaire efficiëntie stond niet op de agenda; het zou tot politieke rebellie hebben geleid. Er was uiteindelijk geen andere keuze: òf het Westen zou lijdzaam toekijken, òf het Westen zou alleen via de brede coalitie van NAVO- (en Partner-) landen en uitsluitend met inachtneming van de politieke randvoorwaarden zoals in NAVO-kader geformuleerd, ingrijpen in Kosovo.

Zijn opmerking dat de Kosovo-oorlog de ,,ontwikkeling van een pan-Europees veiligheidssysteem een flinke knauw heeft gegeven", is op z'n minst wel erg eenzijdig. Met geen woord rept hij over de verantwoordelijkheid die Rusland en China hebben als permanent lid van de VN-Veiligheidsraad en over het feit dat beide landen eerdere VN-resoluties hebben ondersteund die het beleid van Miloševic in Kosovo sterk bekritiseerden en hem opriepen de onderdrukking van en de militaire operaties tegen de Albanese Kosovaren te stoppen. Als de NAVO-landen in dit crisisgeval het belang van ,,de stabiliteit van de statengemeenschap'' zwaarder hadden laten wegen dan ,,de bevordering van de mensenrechten'', dan had ,,de ontwikkeling van het pan-Europese veiligheidssysteem'' (wat dat ook moge zijn) misschien geen knauw gekregen. Maar wat zou dit betekend hebben voor de veiligheid van de Kosovaren die op dat moment bij duizenden op de vlucht waren, wat zou dit hebben betekend voor de stabiliteit voor de omringende landen (Macedonië, Albanië, Bosnië, Italië, Griekenland, en dus ook Turkije) en voor de verdere regio, wat zou dit hebben betekend voor de geloofwaardigheid van het VN-systeem, voor de groeiende Europese rol in buitenlandse en defensiezaken, wat zou dit hebben betekend voor de NAVO, kortom wat zou dit alles hebben betekend voor stabiliteit en veiligheid in Europa? Daar zwijgt De Wijk over.

De eerste `verjaardag' van Allied Force heeft veel kritische beschouwingen en `revisionistische' commentaren opgeleverd. Veel van de kritiek is terecht en de lessen moeten worden geleerd. Maar de Wall Street Journal (21 maart) bijvoorbeeld ziet weinig reden haar oorspronkelijke pleidooi voor ingrijpen te herzien en heeft het beleidsdilemma goed verwoord: ,,Zeer belangrijk is dat er geen Kosovaarse tegenhanger is van de slachtpartij in Srebrenica (...). Zij die zeuren dat de bombardementen van de NAVO de aanzet hebben gegeven tot de Servische uitdrijving van de Albanese Kosovaren, schijnen te denken dat alles kits in Kosovo zou zijn geweest als de NAVO het gebied met rust gelaten had. Maar de NAVO-regeringen hadden geen reden dit soort illusies te koesteren. Ze moesten handelen gezien de ontgoochelende ervaring uit het verleden, die duidelijk maakte dat militaire actie de meest waarschijnlijke manier was om Kosovo niet aan hetzelfde lot ten prooi te laten vallen dat Bosnië-Herzegovina eerder trof''.

Dat was de uiteindelijke keuze waar de beleidsmakers voor stonden. Net zoals het besluit om in te grijpen een keuze was, zo zou de keuze voor noninterventie dat ook zijn geweest, met alle gevolgen vandien. Hoe onvolmaakt en vooral onorthodox de Operatie Allied Force ook mag zijn uitgevoerd, men heeft – alles afwegende – een keuze gemaakt waarbij de politieke doelstellingen van Allied Force zijn gehaald: Serviërs eruit, NAVO erin, Kosovaren weer thuis, en een lange-termijn-engagement van de internationale gemeenschap dat tenminste een begin van een perspectief biedt op een definitieve oplossing van de problemen in de regio. Dat zou het antwoord op de kernvraag van de Kosovo-evaluatie moeten zijn.

Eric Povel is werkzaam bij de NAVO te Brussel.