Kriminaltango

`Vorige week hebben we de halve ocho geoefend. Vandaag proberen we de hele. We zullen het even voordoen.' Op de meeslepende klanken van het d'Arienzo-orkest laten Arjan en Marianne ingewikkeld maar elegant voetenwerk zien. Mijn Marianne en ik doen pogingen de Argentijnse tango in de knieën te krijgen en wel op de Academia De Tango bij het Leidse Plein in Amsterdam.

Zo'n vijfendertig jaar geleden heb ik een wat minder ingehouden, een wat woestere variant van de tango geleerd bij dansschool Polman in Almelo. Althans hij kwam op mij zo over maar dat kan ook aan de muziek gelegen hebben. Ik herinner me titels als `Zwarte Lola', `Du Schwarzer Zigeuner', maar vooral de `Kriminaltango' van Hazy Osterwald heeft diepe indruk op mij gemaakt. `In der Taverne, dunkle Gestalten', zo begon het lied dat associaties opriep met duistere havenkroegen waar gespierde zeebonken zich bogen over bijna haaks achterovergebogen zwaar opgemaakte meiden die zwarte jurken droegen met een split tot ver boven de heup. In de broeierige sfeer konden elk moment de messen worden getrokken.

Wat wij toen leerden was volgens mijn leraar een versimpelde versie van de Argentijnse tango die ook wel Amerikaanse of Duitse tango genoemd werd.

Wanneer je katholiek was en een jaar of veertien ging je op dansles. Dat was tot ver in de jaren zestig volkomen vanzelfsprekend. Bij Polman bestond het basispakket destijds uit Engelse wals, Weense wals, quickstep, tango, chachacha en jive. In de lengte van de danszaal waren er aan weerszijden banken langs de muur. Aan de ene kant zaten de jongens, aan de andere kant de meisjes. Op een teken van de leraar staken de jongens de dansvloer over om een meisje te vragen. De eerste paar keer stortten we ons met zijn allen op het mooiste meisje met als gevolg dat je bleef zitten met de lelijkste. Maar na een paar lessen hadden we door dat ritmegevoel belangrijker was dan knap of minder knap. Het was de tijd van pettycoats en hoge hakken en ik weet nog precies hoe het voelde als er een naaldhak op je tenen werd gezet. Zeg maar 50 kg op een vierkante cm.

Voor mijn eerste dansles had mijn moeder, die geweldig kon dansen, mij al de beginselen van de wals bijgebracht. Ook de veleta, die toentertijd nog wel op bruiloften werd gespeeld, heb ik van haar geleerd. We oefenden op zondagmiddag na het eten – tafels en stoelen aan de kant – op de opgewekte klanken van een radiodansorkest van ik weet niet meer welke omroep, maar het programma heette ongetwijfeld `De Beentjes Van De Vloer'. Zelf had moeder nooit les gehad maar het dansen geleerd van haar moeder en van vriendinnen. Opa had voor de begeleiding gezorgd op zijn trekharmonika. Toen ze wat ouder was ging ze 's zomers op zondagmiddagen dansen in het `Achterlaand', zoals bij ons de streek achter het oude veengebied genoemd wordt. De ene keer in Vasse of Langeveen dan weer in Geesteren of Tubbergen. Halverwege de jaren zestig waren in dat soort plaatsjes nog steeds grote zalen waar voornamelijk traditionele dansmuziek werd gespeeld.

Wij, mijn broer Jan en ik, gingen liever naar het Cultureel Centrum in Almelo waar de Stork Town Dixie Kids uit Hengelo of het Swing Collège d'Almelo speelden en Connie van Bergen vaak zong. Een lekkere snelle quickstep op `White Cliffs Of Dover', of heerlijk slijpen met `Old Fashioned Love'.

    • Gerrit Kolthof