Kanttekeningen bij Kaplan

Ruim drie jaar geleden kwam de redactie van het Historisch Nieuwsblad op de gedachte om een gesprek te organiseren tussen minister Pronk (toen nog van Ontwikkelingssamenwerking), Henri Beunders, hoogleraar toegepaste maatschappijgeschiedenis aan de EUR, en mijzelf. Het gesprek moest gaan over het boek van Robert D. Kaplan Reis naar de einden der aarde, een boek dat, volgens de redactie, ,,wereldwijd was ingeslagen als een bom''.

Het boek, dat ging over de burgeroorlogen, armoede en andere ellende in Afrika en Azië, ben ik toen braaf gaan lezen, zodat ik enigszins beslagen ten ijs was toen we op 26 maart 1997 minister Pronk ontmoetten. Een uitgebreid verslag van dit gesprek verscheen vervolgens in de tweede aflevering van het HN van dat jaar.

In dat verslag is terug te vinden wat ik van dat boek vond: ,,Er is geen enkele bewering in te vinden die niet rammelt, van analyse is geen sprake, en bovendien verschuilt de schrijver zich voortdurend achter citaten van anderen.'' Kaplan had, ,,zij het warrig en met veel drukte, nog eens op een rijtje gezet'' wat we al uit de krant wisten.

Beunders was, zo mogelijk, nog genadelozer. Ook als reisverslag vond hij het boek ,,onder de maat''. En Pronk? Die meende daarentegen dat Kaplan een ,,journalist is met goede bedoelingen die een nuttig boek heeft geschreven'', dat weliswaar geen wetenschappelijke, maar wel een journalistieke analyse bevatte. Zelfs dat laatste niet, vonden Pronks gesprekspartners.

Hoe het ook zij – toen ik in de krant van zaterdag 6 mei zag dat een hele opiniepagina in beslag genomen was door een ingekorte versie van een hoofdstuk van het laatste boek van diezelfde Kaplan, Het anarchistisch pandemonium, zonk mij de moed in de schoenen. Moest ik weer zo'n rotverhaal gaan lezen? Enfin, ik heb het gedaan.

Aanvankelijk werd ik in mijn negatieve oordeel over Kaplan bevestigd toen ik, heel in het begin, las over ,,een elitaire kliek van generaals en diplomaten'' die de oorzaak van de Eerste Wereldoorlog zou zijn geweest. Is een oppervlakkigere analyse denkbaar? Ik dacht dat de massa's – het `gepeupel' noemt Kaplan ze elders – nogal geestdriftig die oorlog ingingen.

Maar allengs veranderde ik van mening. Kaplans analyse bleef weliswaar oppervlakkig, maar zijn stelling is niet onjuist, althans interessant. Ze komt hierop neer: Vrede lijkt het hoogste goed op aarde, maar kan een samenleving zonder oorlog? Een langdurige vrede kweekt leiders zonder veel wijsheid. Wie daar meer over wil weten, leze Kaplans artikel. Hier volsta ik met enkele kanttekeningen.

,,Veel sterker dan vrede stimuleert oorlog gelijkheid en maatschappelijke verandering'', schrijft Kaplan. Dat is waar. Zo vernielde Hitlers ,,totale mobilisatie'' alle traditionele instellingen: kerken, universiteiten, adel, burgerdom, familie. Het conservatieve verzet kwam op 20 juli 1944 daartegen in opstand. De liberale socioloog Ralf Dahrendorf heeft daar als eerste op gewezen.

Andere opmerking: ,,De [...] Koude Oorlog stelde het Westen in staat de filosofische voorwaarden voor zijn vrijheid en welvaart vast te stellen, dankzij onze tegenstanders: want definities zijn onmogelijk zonder grenzen, en vaak nemen die de vorm aan van vijanden.''

Nee, niet de grenzen nemen vaak de vorm van vijanden aan, maar wat er achter ligt. Maar overigens is de opmerking juist. Tegenstand dwingt tot zelfdefinitie. Een stap verder: we hebben een tegenstander nodig om tot definitie van onze doeleinden, ja van onze reden van bestaan te komen. Nog een stap verder: voor haar zelfhandhaving heeft een natie een vijand nodig, en als die er niet is, verzint ze er een.

Nu Kaplan weer: ,,Om onheil te voorkomen is een besef van onheil vereist, en daarvoor is historisch besef nodig. Vrede echter leidt tot een onderstreping van het heden, een ontkenning van het verleden en een daaruit voortvloeiende minachting voor de toekomst'' (van de laatste woorden zou ik wel graag de Engelse oertekst willen zien, want de logica hiervan is mij niet dadelijk duidelijk).

Maar overigens is het juist wat Kaplan hier zegt. Onlangs zag ik dat uit een recente enquête bleek dat zowat 90 procent van de scholieren niet weet wie Mussert was. Maar ondertussen is die schooljeugd wèl anti-Duitser dan de generatie die de oorlog heeft meegemaakt! Een reeks van naoorlogse ministers van Onderwijs heeft een zware schuld op zich geladen door het vak geschiedenis vrijwel af te schaffen. (Overigens wordt hier een bewijs geleverd voor de stelling dat een – eventueel verzonnen – vijand nodig is voor zelfhandhaving.)

Wat moet er, in het licht van deze feiten, terechtkomen van een Europese eenheid? Kaplan spreekt van de ,,mythe van een herenigd Europa''. Dat is inderdaad een mythe, want Europa is nooit één geweest – integendeel: onenigheid is het kenmerk van zijn geschiedenis geweest – dus het kan niet herenigd worden. Hij bedoelt waarschijnlijk de mythe van het verenigd Europa.

Maar als de eenheid van Europa al een mythe zou zijn (zeker als de Europese Unie zich oostwaarts gaat uitbreiden), wat moeten we dan denken van een wereldeenheid? Kaplan is hier niet slechts sceptisch over, maar ronduit vijandig. Hij spreekt van de ,,schandalige eensgezindheid'' en van het ,,zouteloze ideologische vacuüm van de wereldorganisatie''. In de Koude Oorlog ging het tenminste nog ergens over. Du choc des opinions jaillit la vérité.

Daarom, zegt Kaplan, ,,moeten de Verenigde Naties een instrument blijven van veranderende coalities en grote machtsconflicten, die op hun beurt een bewijs zijn van de oprechte verschillen tussen mensen.'' Op Europese schaal teruggebracht, lijkt dit beeld op het Europa dat staatssecretaris Benschop voor ogen staat: Europa niet zozeer als gemeenschap alswel als `netwerk'.

Maar kan een netwerk ooit actie – als het moet: gewapende actie – ondernemen? Wat de VN betreft, is volgens Kaplan zo'n actie alleen mogelijk als de Verenigde Staten zich erachter stellen (lees: haar overnemen). Zie de Koreaanse oorlog en de Golfoorlog. En wat Europa betreft? Welke mogendheid neemt daar het voortouw? Of kan ook Europa niet zonder de Verenigde Staten tot actie komen? Zie Kosovo.

    • J.L. Heldring