In de kettingkast

Letterlijk in mijn onderbroek sta ik daar in dat plantsoen. Gelukkig niet in het centrum van de stad. Ik overzie de situatie: vanuit de flats heb je een mooi uitzicht op het plantsoen en op mij. Het moet een komisch gezicht zijn – een moslimvrouw, van boven keurig zoals het hoort, compleet met hoofddoek en dan van onder met blote benen... wat is daar aan de hand?

Even overweeg ik mijn hoofddoek af te doen om maar niet meer als islamitisch herkenbaar te zijn, dan is de situatie minder schrijnend, maar het is al te laat. Er komt een Marokkaan aanlopen. Hij schat de situatie in en begrijpt dat hij beter discreet door kan lopen en doen alsof hij niets gezien heeft. Ja, op zijn hulp zit ik niet te wachten, die zou me maar in verlegenheid brengen. Hulp van Nederlanders, die is gemakkelijker te aanvaarden.

Mijn rok is in de kettingkast gedraaid en er is in de trappers geen beweging meer te krijgen. Nooit meer op de fiets een lange wikkelrok aan!

Maar nu! Wat nu?

De rok zal uit moeten. Ik til de fiets op en strompel naar de straat. ,,Mevrouw, heeft u even tijd voor me?'' roep ik naar een passerende fietser.

Gelukkig, ze stopt. Ze wil helpen. Nu durf ik mijn rok uit te doen. (Er kunnen jongens van die school langskomen, geen gekke tijd daarvoor, 10 voor 9. Maar nu ben ik hier alleen.) We rukken en sjorren samen aan de rok, maar hij zit er muurvast ingedraaid. De kettingkast zal er af moeten.

De vrouw moet verder, maar laat me niet alleen achter. Een man en een vrouw met hun dochtertje komen langs, op weg naar school. Mijn eerste redster in de nood stapt op haar fiets in de wetenschap dat haar opvolgers me verder zullen helpen. Ik ben haar heel dankbaar.

Het ziet er naar uit dat het stuk rok in de kettingkast eraf geknipt moet worden en dat de fiets voorlopig onbruikbaar zal zijn. Maar dan krijg ik tot mijn eigen verbazing een flap van de rok te pakken en kunnen we de rok er uit trekken. Met die paar gaatjes zit ik niet meer na mijn hachelijke toestand. Opgelucht schiet ik in mijn rok. Ook de fiets rijdt weer.

God zij geprezen, het is goed afgelopen. Alleen een paar vriendinnen van wie ik zeker weet dat ze het niet doorvertellen, zullen dit verhaal van mij te horen krijgen. We kunnen er samen op lachen. Mijn man zal ik het nooit vertellen. Hij zou woest zijn over de schande hem door zijn vrouw aangedaan. Voor zijn geestesoog zou hij zien hoe vanachter elk raam van die flats zijn vrouw werd gadegeslagen en hij zou doodsbang zijn dat een onbekende hem in de moskee zou vragen of hij zijn vrouw voortaan niet kon laten lopen in plaats van op de fiets te gaan.