Gratie Gods 5

De hoogleraren Philipse en Sundholm hebben veel (overigens welgekozen) woorden nodig om met betrekking tot de formule `Bij de gratie Gods Koning(in) der Nederlanden' boven wetten, amvb's en andere koninklijke besluiten, te komen tot dezelfde conclusie die mijn leermeester D.J. Veegens al 23 jaar geleden bereikte. In een artikel in het Nederlands Juristenblad van 5 maart 1977 schreef hij: ,,De ontwikkeling van ons nationale Koningschap tot een instelling, staande boven alle verdeeldheid, noopt tot het laten varen van een formule die niet meer bij deze tijd past. Zou dit geschieden bij de volgende troonswisseling, dan zou dit gebaar een bevestiging zijn van de bereidheid de algehele gelijkheid van alle levensbeschouwingen in onze samenleving te aanvaarden.'' Deze woorden hebben niets aan actualiteit ingeboet. Integendeel, zij hebben door de ontwikkelingen sindsdien – Philipse en Sundholm wijzen terecht op de `nieuwe Nederlanders, hier geboren, hier opgeleid, hier aan het werk', die `voor een deel moslims' zijn – slechts aan betekenis en overtuigingskracht gewonnen. Het voorstel van Philipse en Sundholm de formule `te seculariseren' (daargelaten waar zo'n secularisatie precies toe zou leiden) zou dus ongetwijfeld Veegens' instemming hebben gehad. Het heeft ook de mijne. Onjuist lijkt mij echter de door de beide hooggeleerde auteurs tot tweemaal toe gebezigde formulering dat koningin Beatrix, resp. `het koningshuis', `zich ten onrechte beroept op de gratie Gods'. De achterhaalde staatsrechtelijke formule kan niet op het conto van het huidige staatshoofd, noch op dat van `het koningshuis' worden geschreven.

    • P.A. Wackie Eysten